.:.
Zodra een organisatie zich op haar identiteit gaat bezinnen, weet je dat het einde nadert. Een club die gewoon doet waarvoor ze ooit is opgericht, hoeft zich niet af te vragen wie of wat ze is. Praten over identiteit is doorgaans een blijk van twijfelen aan de eigen bestaansgrond.
-
‘Had het Nationaal Historisch Museum wel een toekomst?’ Dat is de wekelijkse vraag die Wilma Kieskamp zaterdag aan de lezers van Trouw voorlegde. Het gaat me nu niet om een antwoord op die vraag, maar om iets anders. ‘Het plan om de wording en identiteit van Nederland te vertellen in een meeslepende expositie, wacht een treurig einde’, schrijft ze. Wording en identiteit. Ging het daar echt om? Ik weet dat niet zeker, maar ik had het idee dat initiatiefnemer Jan Marijnissen wel op allerlei wijzen geestdriftig over het belang van historische kennis sprak, maar dat hij daarbij niet erg de nadruk legde op dat merkwaardige begrip identiteit. Ik heb dat boekje van hem, Waar historie huis houdt (2005), dat ik destijds wel gelezen heb, nog eens even doorgebladerd en ik kan niet verzekeren dat het begrip nergens voorkomt, maar ik zie het zo snel nergens prominent opduiken.
Ik geloof niet dat het bij historische kennis in de eerste plaats om identiteit gaat. Het gaat vooral om verklaring en oriëntatie. De dingen zijn nu zoals ze zijn. Maar we weten allemaal ook dat die dingen niet altijd zo geweest zijn. We zien de wereld om ons heen voortdurend veranderen en we kunnen wel raden dat dat vroeger niet anders was. Geschiedenis bedrijven is in de eerste plaats een kwestie van terugvragen. Daarom begint geschiedenis ook niet ergens op een punt ver in het verleden, maar in het heden. Hoe zijn we gekomen waar we nu zijn? Hoe heeft deze wereld zich ontwikkeld vanuit vroegere fases? Dat zijn de vragen waarmee het begint.
De dingen zijn nu zus of zo omdat mensen vroeger ooit dit of dat besloten hebben. Of omdat bepaalde processen, waar niemand persoonlijk greep op had, een bepaalde richting namen. En vóór die beslissing die tot de huidige toestand leidde, lagen weer andere beslissingen en toestanden. Of er deden zich weer andere processen voor. Je kunt de weg steeds verder terugvervolgen. Tenminste als daar materiaal voor is. Want geschiedenis is afhankelijk van bewijsmateriaal. Het menselijk geheugen is immers maar kort en reikt zelden verder terug dan drie of vier generaties, pakweg zo’n eeuw. Daarom – maar dit terzijde – is dat hele modieuze gedoe van tegenwoordig om het geheugen als een metafoor of andere aanduiding voor geschiedenis te beschouwen, niet bar gelukkig: geschiedenis is het tegendeel van het geheugen.
De ene keer ligt de verklaring dichtbij. Een woonwijk ligt ergens omdat daar vijftien jaar toe besloten werd en men vervolgens aan het bouwen sloeg. Het Nederlandse asielbeleid is zo streng omdat Job Cohen ruim een decennium geleden een wet door het parlement loodste en dat was natuurlijk weer omdat men destijds vond dat er te veel mensen binnenkwamen. Voor begrip van het Nederlandse omroepbestel zul je op zijn minst terugmoeten naar het zendtijdbesluit van minister Reymer uit 1930 en de initiatieven die omroeppioniers in de jaren twintig namen. Om het huidige openbaar vervoer in Nederland te begrijpen zul je iets moeten weten over de ontwikkeling van de spoorwegen sinds 1839 en zelfs van het systeem van trekvaarten dat vanaf de zeventiende eeuw ontwikkeld werd. (Haarlem-Amsterdam was in beide gevallen de eerste verbinding. Niet geheel toevallig lag de eerste spoorlijn naast de oudste trekvaart.)
Om ons staatsbestel te begrijpen moet je zeker terug naar 1815, want de huidige grondwet dateert van dat jaar – al is ze daarna diverse keren ingrijpend gewijzigd – en die kun je alleen maar verklaren door te wijzen op de grondwet uit 1814 van de Verenigde Nederlanden, de staat die aan het huidige Koninkrijk voorafging en maar anderhalf jaar bestond. En die grondwet kun je weer niet begrijpen en verklaren zonder naar voorgaande ontwikkelingen te verwijzen en met name de grondwet van de Bataafse Republiek – we zijn dan een paar staatsvormen eerder – van 1798. En om die formatie van een eenheidsstaat te begrijpen, moeten we weer enig sjoege hebben van hoe de federale staat van daarvoor – als het dat al was – met de Unie van Utrecht van 1579 als centraal element in het constitutionele bestel in elkaar zat. En om weer te begrijpen hoe die staatsvorm ontstaan was …. ja, u raadt het al. Steeds is er weer een verklaring die aan de verklaring die opduikt, vooraf gaat. En voor werkelijk begrip vragen goede verklaringen soms lange verhalen. Want wat we voor een verklaring aanzien, is vaak niet meer dan een gekortwiekt verhaal. Echt verklaren kunnen we niet zoveel. Mensen doen nu eenmaal dingen en er gebeuren dingen zonder dat we goed weten waarom.
-
Geschiedenis is dan ook niet alleen een kwestie van verklaring, maar ook van oriëntatie en plaatsbepaling. Waar in de ruimte en de tijd bevinden we ons? Ons menselijk gezichtsveld is nogal beperkt. En om onze blik wat te verbreden krijgen kinderen al op de lagere school vakken als aardrijkskunde en geschiedenis, al moet ik niet bekennen niet te weten of die onder die termen nog op het curriculum staan. Aardrijkskunde is de ruimtelijke verkenning van de wereld: de eigen woonplaats, de regio en provincie, Nederland, Europa, de aarde (waar kinderen dan vaak volgens een prille ontdekking – en terecht – nog het heelal aan toevoegen). Geschiedenis is de plaatsbepaling in de geschiedenis, de temporele verkenning van onze horizon. Geschiedenis is een poging om onze opgeslotenheid in de tijd te boven te komen.
Geschiedenis bestaat uit een wirwar van toestanden, ontwikkelingen en breuken. Elk thema kent zijn eigen breuklijnen en ontwikkelingslijnen. Hoewel je thematisch gezien in feite het best vanuit het heden terug kunt gaan naar het verleden, is het voor een goed begrip van hoe al die verschillende aspecten zich verhouden, vaak handiger om een verhaal van begin tot einde te vertellen. Want al die thema’s hangen weer samen. Ze moeten binnen een breder kader geplaatst worden. Je kunt de geschiedenis van het gevangeniswezen of van het turfsteken alleen begrijpen als je iets van de omringende politieke, economische en culturele orde begrijpt.
Didactisch begin je daarom met het chronologische verhaal. Dat moeten mensen eerst kennen. Als ze zich eenmaal vrij in de tijd op en neer kunnen bewegen, dan kun je vervolgens op een heel andere manier naar historische feiten verwijzen en dat doen we dan ook in actuele discussies. We doen vooral een beroep op de geschiedenis om iets nu in perspectief te plaatsen. Soms moet je even op een afstandje gaan staan om een object goed in zijn context te kunnen zien. Daarvoor doen we aan geschiedenis.
-
Omdat geschiedenis altijd begint bij het heden, ga je ook uit van kaders die nu van belang zijn. Van dingen die daarbinnen voorvallen, wil je de verklaring weten. Die wil je beter kunnen plaatsen. Het lijkt me dan ook duidelijk dat er zich diverse kaders aandienen. Mensen leven in diverse sferen tegelijk. Iemand is Maastrichtenaar, maar ook Limburger en Nederlander en Europeaan en wereldburger. Het kader voor het historische verhaal kan op diverse wijzen bepaald worden. Maar het nationale raamwerk blijft van belang.
De natiestaat is belangrijker dan ooit. Soms kom je uitingen tegen alsof de natiestaat vooral een negentiende-eeuwse vinding is, een gedrocht dat we nu zouden overwinnen, maar ik geloof daar niets van. Voor de alledaagse belevingswereld van mensen is de nationale staat van doorslaggevende betekenis. Meer dan ooit vormen we met elkaar een nationale communicatiegemeenschap. Het gaat om de combinatie van taal en staat. We delen onze taal met de helft der Belgen, die tegenwoordig Vlamingen heetten – het blijft merkwaardig om inwoners van het typisch Brabantse Antwerpen of het Loonse Hasselt zo aan te duiden -, maar toch zie ik op Twitter niet zoveel Belgen en Nederlanders met elkaar discussiëren: het nationaal-politieke kader is namelijk niet hetzelfde. De nationale staat bepaalt welk nieuws we volgen via kranten, websites, radio en tv en over welke onderwerpen we het verder hebben. Dat bepaalt het standpunt van waaruit je naar de wereld kijkt. En omdat die nationale staat zo’n belangrijk kader vormt, is het ook van belang de geschiedenis ervan te kennen: om de dingen een beetje te kunnen plaatsen.
De Nederlandse geschiedenis vormt het kader van waaruit we met zijn allen heel wat dingen van nu kunnen verklaren en andere kunnen plaatsen. Om uit te leggen waarom Maastricht Nederlands is zul je toch op zijn minst iets moeten weten van de veldtocht van Frederik Hendrik in 1632 en over het optreden van generaal Dibbets in 1830. Je zult ook enig benul moeten hebben dat de stad al sinds de dertiende eeuw door Brabant en Luik gedeeld werd, want anders had de Republiek nooit de Brabantse rechten kunnen overnemen; met de prinsbisschoppen van Luik was men in 1632 immers niet in oorlog. Het gaat me nu niet om die ene voorbeeld, maar om dat ene nationale kader dat we delen en dat van Roodeschool tot Breskens en van Vaals tot Huisduinen een gemeenschappelijk verklarings- en referentiekader vormt. Het is het raamwerk dat onze huidige communicatiegemeenschap bepaalt en waarvan we daarom ook de geschiedenis zullen moeten kennen.
-
Natuurlijk is dat nationale kader niet het enige. De voorbeelden die ik hierboven gaf, waren op nationaal niveau. Maar diverse ervan verwijzen na enig doorvragen naar bredere, internationale kaders. Waarom scherpte Job Cohen de asielwetgeving aan? Omdat er op allerlei plekken in de wereld mensen waren die goede reden hadden om huis en haard te verlaten. Niet dat ze misschien altijd fysiek voor hun leven moesten vrezen, ze hadden alle reden om te hopen dat het elders beter was. De hele wereld met alle toestanden van dien – (burger)oorlogen, overbevolking, armoede, migratiestromen – komt ook bij zo’n nationaal onderwerp al om de hoek kijken. Als je het over de geschiedenis van de radio of de trein hebt, gaat het om de ontwikkeling van de technologie en die kun je nooit in een nationaal kader uitleggen. Je zult op zijn minst iets over de ontwikkeling van de stoommachine moeten vertellen. En als het over het opstellen van de grondwet gaat, kun je niet heen om de Amerikaanse en de Franse Revolutie en het politiek-filosofische denken in de voorgaande twee eeuwen in onder meer termen van een maatschappelijk verdrag en ook dan overschrijd je dus vele nationale grenzen.
Kortom, nationale geschiedenis verwijst vanzelf naar de verdere Europese en wereldgeschiedenis. En naar binnen toe is de verhouding ook weer anders dan naar buiten toe. Limburg, dat pas in 1815 werd bedacht (en daarbij wel de naam van een vroeger hertogdom kreeg) en een paar decennia al weer over twee staten verdeeld, kent een andere verhouding tot Den Haag dan Friesland, maar in beide provincies is het nationale kader wel van belang, juist ook om de gewestelijke eigenheid te begrijpen.
-
Kinderen – en hun ouders – iets bijbrengen over de Nederlandse geschiedenis is vooral praktisch. Pas dan kunnen ze iets van onze wereld begrijpen. Met nationale identiteit heeft dat niet zo bar veel te maken. Ik weet het niet zeker, maar mijn indruk is dat juist degenen die kritisch of zelfs ronduit afwijzend reageerden op de plannen voor een Nationaal Historisch Museum – waarvan ik de afgelasting overigens niet zeer betreur – vaak met dat begrip identiteit aan kwamen zetten. Daar moesten ze niets van hebben. Het museum zou volgens hen een antwoord zijn op de identiteitscrisis waarin we zouden zitten. Nogmaals, ik weet het niet zeker, maar ik heb het idee dat ze zich vooral tegen hun eigen fantasie afzetten. Waarom zou het nuchtere, praktische verhaal van de Nederlandse geschiedenis een antwoord op onze identiteit geven?
Vertelt de geschiedenis ons wie we zijn? Een klein beetje denk ik. Als je kunt verklaren waar je vandaan komt, waarom het land dat we nu met zijn allen delen, zo in elkaar zit en niet anders, dan weet je misschien net iets beter wie je bent. Maar het is maar een heel klein deel van het verhaal. Bovendien denk ik dat geschiedenis in feite net andersom werkt. Geschiedenis werkt namelijk eerder relativerend. Kennis ervan haalt je uit je eigen zelfgenoegzaamheid. Wij kunnen onze denkwijzen nu wel normaal vinden, honderd jaar geleden dachten ze daar toch heel anders over. En als wij nu een glimlach over de vreemde vooronderstellingen van onze voorouders soms niet kunnen onderdrukken, dan kun je wel raden dat mensen over honderd jaar zich weer zullen verwonderen over onze merkwaardigheden. Geschiedenis is geen zaak van zelfbevestiging, maar juist van zelfkritiek, zou ik zeggen. Geschiedenis relativeert vooral. Dat krijg je als je een bredere blik, ook temporeel, verwerft.
Natuurlijk wordt de geschiedenis, als je er vertrouwder mee raakt, ook een beetje van jou. Rembrandt is nu eenmaal van ‘ons Nederlanders’ en Velázquez is dat niet. John Locke woonde diverse jaren in de Republiek en is daarom meer van ons dan Giambattista Vico. Bepaalde dingen zijn vertrouwder, andere vreemder en met de eerste vereenzelvig je je iets meer. Rembrandt en Van Gogh horen bij Nederland, vooral in de ogen van toeristen en andere buitenlanders trouwens, maar daarmee zeggen ze nog heel weinig over onze huidige identiteit.
-
Identiteit is wijsgerig een heerlijk thema. Wanneer is iets gelijk aan iets anders? Of kan iets alleen maar gelijk aan zichzelf zijn? Maar als iets zichzelf is, waarom zou je dan nog in termen van een relatie spreken? Binnen de kortste keren verlies je je in logische tegenspraken. Het is namelijk vooral een onmogelijk begrip. Op welke wijze zegt dat kaartje in mijn portemonnee wie ik ben? Waar ben ik dan identiek aan? Aan degene die ik beweer te zijn? En is dat een ander dan degene die ik ben? Toen ene Ayaan Hirsi Magan zich voordeed als Ayaan Hirsi Ali, was ze dat dan niet? Ze duidde zich toch zelf herkenbaar en controleerbaar aan met die naam? Lastige vragen.
Zo is het ook als je vraagt naar de nationale identiteit, of het nu om Italië, Canada of Nederland gaat. Waar heb je het dan eigenlijk over? Maar misschien deed ik in de openingsalinea wel iets al te luchtig. Als organisaties naar hun identiteit vragen, betekent dat vaak niet dat ze in de praktijk van alledag niet goed functioneren. Ze doen hun werk vaak uitstekend en dat gaat ook wel door. Het gaat er vaak om dat de oorspronkelijke motivatie tussentijds veranderd is. Die blijkt niet meer te kloppen en de reden voor het afzonderlijke bestaan is soms wat dubieus geworden. Als mensen naar de identiteit van de organisatie vragen, vragen ze zich vooral af in hoeverre alle betrokkenen dezelfde gedachten, dezelfde motivatie delen.
Vragen naar de nationale identiteit is daarom misschien minder gek dan het op het eerste gezicht lijkt. We delen nu eenmaal een natiestaat met elkaar. Daar kunnen we verder niets aan doen, in die situatie zijn we geworpen. Maar een natiestaat vraagt om een zekere vereenzelviging, in de vorm van politieke participatie, die niet alleen bestaat in naar een stemhokje sjokken, maar ook in bijdragen aan de publieke opinie en het maatschappelijke debat. Dan is de vraag wat we samen delen, ook niet zo gek. Eén eenduidig antwoord kan daar nooit op komen, denk ik. Maar de discussie kan al een eindje helpen.
Als het om de vraag naar nationale identiteit gaat, zal het verhaal van de geschiedenis dan naar mijn idee ook vooral kritisch werken. Aan verhalen over hoe fantastisch ‘onze’ Gouden Eeuw toch wel niet was of dat de Verlichting toch maar mooi bij ‘onze’ Spinoza begon – een prachtig toonbeeld van de nieuwe naïviteit –, hebben we niet zo veel. Geschiedenis toont ons eerder dat onze huidige toestand nogal afwijkend is. Wij denken anders dan ongeveer de hele mensheid placht te doen en koesteren andere morele principes. Daar zijn misschien goede gronden voor, maar het is wel zo aardig als we dat beseffen. Ik zie nu al te veel jongeren – en soms ook ouderen trouwens – die denken dat hun leefwereld met opvattingen die soms nog geen twee decennia gemeengoed zijn, vanzelfsprekend is. Een beetje oriëntatie is dan nooit weg.
-
Overigens kan enige kennis van de geschiedenis ook verklaren waarom geschiedenis heden ten dage ietwat marginaal is. En waarom dat misschien ook weer niet zo erg is.
Maar dat is weer een ander verhaal.
.:.