Soms voel ik me als de bekende ezel tussen twee hooischelven, die maar niet kan kiezen van welk van beide van beide partijen met hooi hij een hap zal nemen. Er zijn zoveel thema’s die ik zou willen bestuderen, en zoveel boeken die ik graag wil lezen, dat ik soms niet weet hoe ik mijn prioriteiten bepalen wil. Wat vind ik echt belangrijk? Of wat vind ik nog belangrijker dan andere belangrijke zaken?
Op dit moment ben ik vooral aan het opruimen, maar het is de bedoeling dat ik ondertussen nadenk over wat ik daarna, naast noodzakelijk werk, ga ondernemen. Ik noem enkele thema’s:
-
Belofte
1. Oude belofte, die ik nu niet nader aanduid. Al drie jaar geleden heb ik een uitgever beloofd een boek te schrijven. Ik noem het thema nu niet, maar in de komende maand ga ik er hard aan werken. Ik ga dan vooral kijken of het me gaat lukken en of het allemaal nog zin heeft. Maar mocht het oorspronkelijke thema nu niet meer actueel zijn, dan weet ik nog wel een weg om dit thema op een aangepaste manier uit te werken. Dit gaat me zeker enkele maanden kosten.
-
Democratie
2. Democratie. Democratie is een systeem van politieke elitevorming bij gelijke politieke rechten. Ik neem aan dat dit de meest gangbare omschrijving is. Maar hoe volledig is deze elementaire beschrijving? Wat bedoelen mensen eigenlijk als ze het over democratie hebben? Is er een onuitgesproken consensus of niet? Verandert de inhoud van wat mensen zich bewust, onbewust en vooral halfbewust voorstellen bij democratie in de loop van de tijd? Waarom duiden we onze politieke ordening en de onze maatschappelijke orde – ik kies hier een ander substantief, omdat de maatschappij wel een orde kent, maar die niet uit bewuste ordening hoeft voort te komen – aan met het woord “democratie”, terwijl dat in feite slechts een klein gedeelte van het gehele politieke bestel aanduidt?
Bij democratie gaat het om algemeen kiesrecht. Meestal dient dat kiesrecht om een parlement te kiezen, maar er zijn ook systemen waarbij bepaalde onderdelen van de uitvoerende macht via verkiezingen gekozen worden. Maar in alle gevallen is het democratische element maar een miniem, zij het niet onbelangrijk onderdeel van de totale rechtsstaat. De crux ligt er in dat wij bij recht direct denken aan gelijke rechten en dus aan democratie. Je kunt niet de een stemrecht geven en de ander wel.
Maar waar het uiteindelijk opaan komt, is natuurlijk het gehele bouwwerk van de rechtsstaat. Om een voorbeeld te noemen: het is zeker zo belangrijk dat er een eind komt aan de termijn van een volksvertegenwoordiging of een regering. Dat een Amerikaanse president na maximaal acht jaar definitief zijn functie moet opgeven, is een uitvloeisel van de wet. Hij wordt niet weggestemd, nee, er komt een eind aan zijn ambtstermijn en hij mag zich niet herkiesbaar stellen na twee termijnen. In Nederland wordt er wel eens gezegd dat we politici kunnen “wegstemmen”, maar dat is natuurlijk faliekante onzin. Als een politicus zich voor een vertegenwoordigend lichaam opnieuw verkiesbaar stelt, dan kun je besluiten niet op hem te stemmen.
De vraag is nu waarom we nooit een adequate aanduiding voor die gehele rechtsstaat hebben gevonden, maar gebruik maken van een pars pro toto: democratie. Dat zegt iets over het belang dat dit onderdeel van de politiekelitevorming inneemt. Het zegt vooral ook iets over de manier waarop mensen naar het politieke bestel kijken. Onlangs moest Raoul Heertje door die merkwaardig gekapte politicus uit Venlo gecorrigeerd worden: Heertje beweerde dat wij Balkenende gekozen hadden. De politicus greep in: nee, wij kiezen in dit lang geen minister-president. Heertje leek het nauwelijks te begrijpen. Je kunt je natuurlijk verbazen over zijn gebrek aan besef, maar de vraag is waar het misverstand bij hem vandaan komt en of het nou schadelijk is of niet. Draagt het idee dat mensen denken dat we de regering kiezen, ook al is dat niet waar, bij aan de legitimatie van het systeem. Functioneert ons bestel beter dankzij dit soort misverstanden?
Hier dienen zich mooie vragen aan voor een nadere studie. Wat denken mensen over democratie? En wat is het?
-
Scheiding
3. De scheiding tussen kerk en staat en de relatie tussen politiek en religie. Op zich is het duidelijk: de feitelijke scheiding tussen kerk en staat heeft een nauwere relatie tussen religie en politiek mogelijk gemaakt. Op zich zeg ik het zo iets te ongenuanceerd: statelijke tolerantie heeft die relatie mogelijk gemaakt. Er zijn immers ook landen waar nooit een scheiding tussen kerk en staat is doorgevoerd, zoals Engeland, waar toch allerlei kerken, religies en levensbeschouwingen mogelijk zijn. Je hoeft in Engeland geen lid van de Church of England te zijn om deel uit te maken van het parlement of lid van de regering te zijn, ook al is het staatshoofd hoofd van de Engelse kerk. De feitelijke scheiding tussen kerk en staat is dus niet het belangrijkste.
Ik zou me ook af willen vragen waarom ik dit thema nu zo belangrijk vind. Persoonlijk zie ik immers geen positieve band tussen religie en politiek. Maar ik vind het wel belangrijk dat in het politieke domein de strijd der waarden open gestreden kan worden. Maar waar gaat het dan precies om? Om de strijd tussen die waarden of om een zekere modus vivendi tussen al die waarden in het politieke domein? Wat betekent tolerantie? In hoeverre kan of moet een overheid neutraal zijn? In hoeverre moet het staatsgezag juist staan voor bepaalde waarden? En in hoeverre zijn dergelijke waarden dan gebonden aan levensbeschouwingen, religies en zelfs kerken? Of vormt de politiek eigen waardenconstellaties?
Dit is een boeiend terrein, waarbij een historisch overzicht van zowel feitelijke ontwikkelingen als van politieke strevingen van een groot nut is. Maar er spelen ook veel actuele vragen mee. Het gaat ook om tolerantie, om neutraliteit, om cultuurpolitiek en meer. Ik heb altijd de neiging om sterk naar de feiten te kijken, maar de centrale woorden en begrippen hebben in elk land al weer een andere betekenis. Soms staat kerk domweg voor religie en soms betekent staat ook politiek in bredere zin. Zolang het om strevingen en idealen gaat, is daar ook niets op tegen, maar als begrippen verwarrend worden gebruikt om een discussie te besluiten voordat die begonnen is, dan is het wat anders.
-
Verzuiling
4. Verzuiling. Over verzuiling zou ik wel eens een groot overzicht willen schrijven. Of eigenlijk zou ik twee boeken willen schrijven: een kort essayachtig boekje van pakweg 120 bladzijden waarin mijn visie kort weergeef, en een langer handboek, waarin alles over de verzuiling samengevat wordt.
Mijn visie is op zich heel simpel: bij de Nederlandse verzuiling ging het om het breken van de protestantse natie. Rond 1850 was Nederland een protestants land met een aanzienlijke katholieke minderheid. Die katholieke minderheid is geheel verklaarbaar in de volgende decennia verzuild geraakt. De protestanten zijn uiteengevallen in een aantal verschillende oriëntaties: 1. de vaak, maar niet altijd religieus vrijzinnige bovenlaag werd politiek vaak liberaal, 2. de onkerkse arbeiders werden vaak socialistisch (of communistisch), 3. de vaak orthodoxe middengroepen werden politiek antirevolutionair of christelijk-historisch.
Eerst kreeg je een maatschappelijke breuklijn tussen vrijzinnige liberalen en orthodoxe antirevolutionairen. Daarna viel de eerste groep uiteen in sociaaldemocraten en liberalen van verschillende snit. En de tweede groep viel uiteen in gereformeerde antirevolutionairen en hervormde christelijk-historischen. Het ligt allemaal nog ingewikkelder en genuanceerder, maar dit zijn de grote lijnen.
Op zich is het anders dan normaal dat de protestantse natie uiteenviel. Dat gebeurde overal. Het bijzondere was dat de levensbeschouwelijks oriëntatie zo belangrijk werd dat zich iets als verzuiling vormde. Nu denk ik dat je pas van verzuiling moet spreken als er zich een inherent verband voordoet tussen verschillende organisaties op dezelfde levensbeschouwelijke grondslag.
En dan kun je laten zien dat slechts ongeveer de helft van de Nederlandse samenleving verzuild raakte. Binnen de meer dan zestig procent van de bevolking die protestants was, kun je eigenlijk alleen maar van een gereformeerd-antirevolutionaire zuil spreken. En dan had je nog de katholieken, die echter beneden de grote rivieren ook weer de regionaal dominante cultuur vormden. De meeste protestanten waren niet in eigenlijke zin verzuild, maar vaak maakten mensen wel deel uit van organisaties op levensbeschouwelijks grondslag.
In diverse opzichten zou ik weer aan willen sluiten bij de vroege theorieën uit de jaren vijftig en vooral tegen de visie van Lijphart in willen gaan, die althans in populaire vorm neerkomt op de gedachte dat de mensen min of meer in de zuilen opgesloten waren en dat de elites van de zuilen met elkaar praatten. Ik denk dat het eerder omgekeerd was: de elites zaten in allerlei besturen voortdurend met elkaar te vergaderen, terwijl de achterban in het dagelijks leven veel meer met andersdenkenden in aanraking kwam, op het werk, in de winkel, in de straat en zo meer.
Aan de ene kant moet je recht doen aan de verzuiling, maar tevens zul je moeten erkennen dat zo ongeveer de helft van de Nederlanders nooit het idee gehad kan hebben in een “zuil” opgesloten te zitten, omdat men of vooral deel uitmaakte van de traditionele lokale volkscultuur of van de moderne stadscultuur. Boven de grote rivieren waren het alleen katholieken en gereformeerden die min of meer in een streng afgebakende subcultuur leefden. Daarbij ging het dus om twee tamelijk kleine minderheden. Beneden de grote rivieren was de dominante katholieke cultuur streng gereguleerd, maar verder was er ook weinig afwijkends te vinden. Kortom, je moet de betekenis van verzuiling niet overdrijven.
Maar om dit uit te werken zou ik alle literatuur nog eens grondig door moeten werken.
-
Verlegenheid
Maar dit zijn slechts enkele van de thema’s die me bezighouden. Op filosofisch gebied wil ik vooral bijlezen in de filosofie van de geest en in het algemeen in de Engelse en Amerikaanse filosofie van de afgelopen eeuw. Daar ben ik momenteel ook mee bezig. En ik wil veel meer lezen over de Europese en wereldgeschiedenis van de laatste twee eeuwen.
De vraag die me nu bezighoudt, is eigenlijk of ik over dit soort dingen wel wil schrijven in een weblog. Wie heeft hier iets aan? Heeft het zin om reflecties over deze thema’s in de toekomst op te schrijven? Zou dat iets opleveren?
En zou commentaar bij lectuur iets opleveren? Ik weet dat echt niet.
♦
Naschrift januari 2012. Van dat boek onder het eerste punt is nooit iets terechtgekomen. Van de overige punten overigens ook niet al te veel, maar ze houden me nog wel steeds bezig. Op een bepaalde wijze geldt dat overigens ook wel voor het eerste thema.
(17)