Waarom ik NRC Handelsblad opgezegd heb

.:.

Hieronder volgt het schrijven dat ik vandaag aan de hoofdredactie van NRC Handelsblad gestuurd heb. Het spreekt voor zich, denk ik.

.:.

Geachte hoofdredactie,

Op de voorpagina van afgelopen maandag, 15 november 2010, kondigde u een aantal veranderingen in de opzet van de krant aan. U vroeg daarbij om reacties. Gisteren herhaalde u die oproep nog eens in een kadertje bij de politieke wisselcolumn van Femke Halsema. Ik geef daar graag gehoor aan.

Op een andere wijze heb ik al gereageerd. Dinsdagochtend heb ik mijn abonnement op NRC Handelsblad opgezegd. Ik weet niet sinds wanneer mijn huidige abonnement liep, maar ik lees de NRC al ruim dertig jaar; in sommige tijden kocht ik de krant echter dagelijks los. Tot maandagmiddag was de gedachte aan het beëindigen van mijn abonnement geen ogenblik bij me opgekomen. De aankondiging dat u aan het PVV-Kamerlid Martin Bosma een column ter beschikking hebt gesteld, leidt er toe dat ik de krant na afloop van de huidige termijn (die nog tot het eind van het jaar loopt) niet langer wens te ontvangen. Naar mijn oordeel is hier een principiële grens overschreden.

-

Op zich lijkt me het idee om aan drie leden van de Tweede Kamer een politieke column aan te bieden, al ietwat ongelukkig. Voor zover ik weet, is het gebruikelijk dat columnisten die toetreden tot het kabinet, hun column beëindigen. Dat is in 2002 gebeurd met Eduard Bomhoff en recent met Ben Knapen. De gedachte is kennelijk dat het deelhebben aan de macht niet goed samengaat met het leveren van onafhankelijk, persoonlijk commentaar. Leden van de Staten-Generaal verkeren in een enigszins andere positie. Zij controleren de macht juist. Tegelijk zijn ze echter ook medewetgever. U stelt weliswaar dat de drie auteurs op persoonlijke titel schrijven, maar tegelijk meldt u ook nadrukkelijk dat ze in de Tweede Kamer een oppositiepartij, een gedoogpartij en een regeringspartij ‘vertegenwoordigen’. Het lijkt mij niet verstandig om columnisten aan te trekken die zo nadrukkelijk rekening moeten houden met partijpolitieke overwegingen.

Er is niets op tegen als we weten van welke politieke partij een columnist lid is – Bart Tromp, die jarenlang in Het Parool schreef, is een uitstekend voorbeeld – maar van een columnist verwachten we toch dat we hem of haar primair als een onafhankelijk commentator zonder nadere belangen kunnen zien. Dat is hier niet het geval. Bovendien is de verdeling vreemd. In de Tweede Kamer beschikken de partijen die de regering steunen, over 76 zetels, de overige partijen hebben er 74. Voor het evenwicht had u binnen de laatste groep dan minstens twee columnisten moeten zoeken.

Beter was het echter geweest om andere, meer onafhankelijke politieke commentatoren aan te trekken, indien er al behoefte was aan nieuwe columnisten dan. In deze tijd van internet kunnen politici op alle mogelijke manieren hun mening kwijt. In een krant als NRC Handelsblad verwachten we juist politieke beschouwingen die vanuit een meer vrije positie geschreven zijn. Maar vanwege het aantrekken van Ton Elias of Femke Halsema zou ik zeker mijn abonnement niet beëindigd hebben.

-

Met Martin Bosma ligt dat anders. Door hem een column aan te bieden, hebt u naar mijn idee een journalistieke kwaliteitsgrens overschreden. Ik haast me hieraan toe te voegen dat ik zeker niet van mening ben dat u geen opinieartikelen van de hand van Bosma zou mogen plaatsen. In juli hebt u bijvoorbeeld een artikel van zijn fractieleider, Geert Wilders, geplaatst en dat gaf een uitstekend beeld van diens denken. Ik heb de gelegenheid gekregen daar in de krant van 24 juli op te reageren en ben op een zo welwillend mogelijke wijze op zijn stellingen ingegaan. Zoals ik politiek tegen een zogenaamd cordon sanitaire rond de PVV ben en ervoor pleit om met de partij in dialoog te treden en te proberen die te bewegen tot erkenning van de fundamentele beginselen van ons rechtsbestel, zo ben ik er in intellectueel opzicht zeker voor om kennis te nemen van mogelijk belangwekkende bijdragen aan de meningsvorming uit die hoek en om daar soms op te reageren.

Er is echter een groot verschil tussen een vaste column en losse opinieartikelen. Stukken uit de laatste categorie worden individueel, stuk voor stuk, beoordeeld. Over elk artikel velt de opinieredactie eerst een oordeel: voldoet het aan minimale kwaliteitseisen, kloppen de feiten, draag het nu iets bij aan het debat? Een glorieus moment in de geschiedenis van de krant is altijd nog de afwijzing in 2007 van het stuk van Geert Wilders voor een verbod op de Koran: niet vanwege inhoudelijke redenen, maar omdat het niet aan minimale kwaliteitseisen inzake argumentatie en onderbouwing voldeed. De uitleg van Sjoerd de Jong destijds was subliem. Een krant die niet primair op scoren uit is, maar de kwaliteit voorop stelt, die bouwt vertrouwen op.

Een column is iets anders. Terwijl de redactie aan opiniestukken elke keer het kwaliteitsoordeel a posteriori meegeeft, verleent ze dat bij een columnist a priori. Kennelijk heeft men op grond van wat men weet, een zodanig vertrouwen in een scribent dat men diens stukken ook ongezien wenst te plaatsen. Uiteraard zal een redactie ook columns bekijken en ik neem aan dat als men feitelijke vergissingen of onheldere zinnen of redeneringen aantreft, men daarover met de auteur in overleg treedt, maar bij een column gaat het toch om – hopelijk gegrond – vertrouwen vooraf in de persoon van de columnist; bij opinieartikelen gaat het om een oordeel achteraf over een stuk. Dat is een belangrijk verschil.

Er is daarom helemaal niets op tegen om van tijd tot tijd artikelen van Martin Bosma te plaatsen, indien die aan enkele minimale criteria voldoen. Er is echter wel heel veel tegen om deze volksvertegenwoordiger een vaste column te geven. Ik zie twee hoofdbezwaren.

-

Het eerste is dat Bosma deel uitmaakt van een fractie die gekozen is op een politiek program dat evident antirechtsstatelijk is. (Ik kan zelfs niet schrijven dat hij ‘lid’ is van de PVV, omdat de partij waar hij op de een of andere wijze bij hoort, slechts één lid telt.) Iedereen die het program van de PVV toetst aan de elementaire beginselen van de liberale rechtsstaat, zal zien dat de partij tornt aan een aantal elementaire grondrechten – de rechtsgelijkheid, de vrijheid van meningsuiting, levensovertuiging en onderwijs onder meer – en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht teniet wil doen. Ik hoef dat hier nu niet uitvoerig uit te leggen. Ik heb dat eerder gedaan en bovendien heeft uw krant zelf een en ander in hoofdredactionele commentaren opgemerkt.

Een liberale krant als NRC Handelsblad hoort aan vele stemmen ruimte te geven, van links tot rechts, juist omdat ze liberaal is, en dat heeft de krant ook altijd op een uitstekende wijze gedaan. Maar moet men nu werkelijk een column geven aan een vertegenwoordiger van een beweging die de fundamenten van ons rechtsbestel bestrijdt? Ik denk het niet. Het kan inzicht bieden om zo iemand daar afzonderlijke artikelen over te laten schrijven, maar als men iemand een column aanbiedt, wijst dat op een minimaal kwaliteitsstempel. Moeten we het normaal vinden dat iemand die de gedeelde en beproefde waarden van onze samenleving afwijst, a priori de vrije hand krijgt? Nee, zeer zeker niet.

In het befaamde eerste commentaar van 1 oktober 1970, ‘Onze beginselen’, waar de huidige hoofdredacteur precies veertig jaar na dato op de voorpagina naar verwees, staat onder meer deze zin: ‘De grens van die verdraagzaamheid ligt evenwel daar waar anderen onze vrijheid dreigen aan te tasten.’ Ik vind die uitspraak enerzijds iets te streng, anderzijds iets te ruim. Ze doet denken aan de tegenwoordig herhaaldelijk geponeerde stelling – veelal onder verwijzing naar een opmerking van Karl Popper in een voetnoot van diens The Open Society and Its Enemies (1945) – dat men tolerant moet zijn tegenover de toleranten, maar intolerant tegenover de intoleranten. Mij gaat dat net te ver. Tolerantie schept een vrije ruimte op zich en als men die eenmaal vastgesteld heeft, geldt die ook voor de intoleranten. Tolerantie is geen kwestie van do ut des, van onderhandelen en uitruilen, maar van principes. Tegelijk gaat het niet alleen om ‘onze’ vrijheden, maar ook om de vrijheden van anderen. Ook tegenover intoleranten dient men vaak tolerant te zijn, maar tegelijk dient men ook de vrijheid van allen te beschermen. Welnu, het is volstrekt helder dat de PVV niet voor de vrijheid van alle Nederlanders opkomt, maar die van sommige landgenoten wil aantasten. Dat dient men te tolereren, maar niet te erkennen door een vertegenwoordiger van die partij van te voren de vrije hand te geven. Men hoeft slechts naar de beginselen van de eigen krant te kijken.

-

Dan het tweede bezwaar. Ik heb het boek van Martin Bosma, De schijn-élite van de valse munters (2010) gelezen. Wat Femke Halsema daar gisteren in haar eerste column over schreef, kan ik alleen maar beamen: het bevat ‘een lange reeks verdachtmakingen, waarbij willekeurige citaten worden voorzien van gepeperde conclusies: suggestief en veroordelend, zonder enig werkelijk bewijs.’ Het probleem van het boek is niet zozeer wat Bosma nastreeft. Daarover komen we eigenlijk nauwelijks iets te weten, behalve dan dat hij voor een monoculturele samenleving is. Hoe hij die denkt te kunnen verwezenlijken, daarover zegt hij in praktische zin bijna niets. Het grote probleem van het boek is dat de auteur het zicht op de werkelijkheid totaal kwijt is. Zin en onzin zijn op een schier onontwarbare wijze verweven.

Bosma kan zeker schrijven en hij heeft ook wel eens iets gelezen, maar tot een open, kritische, onafhankelijke analyse is hij niet in staat. Het boek is een product van ideologische verblinding, waarbij moeilijk valt te construeren wat de samenhang van deze voorlopig nog naamloze ideologie is. Wat vooral blijkt, is dat Bosma wanhopig op zoek is naar vijanden, die hij alleen maar kan vinden door van de opvattingen van werkelijk bestaande mensen grove karikaturen te schetsen. Typerend is bijvoorbeeld dat hij het steeds heeft over de zogenaamde ‘massa-immigratie’, maar zich geen moment afvraagt hoe en waarom immigranten bijvoorbeeld naar Nederland zijn gekomen, kortom welke processen zich feitelijk hebben voorgedaan. Hij doet net alsof ze bewust gehaald zijn – in zijn mythologische wereldbeeld natuurlijk door vermaledijde ‘elites’ – terwijl het overgrote deel toch echt zelf is gekomen. (Bij mijn weten is slechts een relatief kleine groep vluchtelingen, waaronder een huidige NRC-columnist uitgenodigd en dat zeker niet zonder goede redenen.) Bosma is zozeer door vijanddenken en ideologische verblinding bevangen dat hij niet meer in staat is te vragen naar de werkelijkheid of kritisch na te denken.

Het lijkt mij niet dat men zo iemand als columnist dient aan te trekken. Van een columnist mag men allereerst verwachten dat hij eerbied heeft voor feiten en ten tweede dat hij in staat is tot zelfstandig en kritisch nadenken. Iedereen die het boek van Bosma gelezen heeft – het is hier niet de plaats voor een uitgebreide analyse of recensie -, weet dat hij niet aan deze twee voorwaarden voldoet. Dat zegt, nogmaals, niet dat hij niet in staat zou zijn incidenteel een belangwekkend artikel te schrijven, aan zo iemand dient men echter niet het vertrouwen te schenken dat de voorwaarde voor een vaste column vormt.

Maandag was ik aanvankelijk van plan om me te beperken tot een kritische reactie en eerst maar eens af te wachten hoe de column van Bosma zich zou ontwikkelen, maar toen ik het optreden van hoofdredacteur Peter Vandermeersch in het wonderlijke programma De Wereld Draait Door – ik zag een aankondiging en keek speciaal voor hem – zag, wist ik zeker: nu zeg ik mijn abonnement op. Vandermeersch bestond het Bosma’s De schijn-élite van de valse munters een ‘goed boek op zich’ te noemen. Ik vond dat verbijsterend. Uiteraard zijn er over dit schrijfsel ook enkele goede dingen te zeggen – bijvoorbeeld dat Bosma een goede zin op papier krijgt en weet hoe met woorden en begrippen te manipuleren – maar de hoofdredacteur van een kwaliteitskrant had horen in te zien dat het hier om een verward flauwekulproduct gaat. Peter Vandermeersch zei ook dat hij met zijn krant wilde bijdragen aan het ‘grote intellectuele politieke debat’ dat momenteel plaatsvindt, maar hij zou dan ook horen te zien dat Bosma niet in staat is om daar een bijdrage aan te leveren, omdat zijn denken en vooral zijn waarnemingsvermogen ondermaats is. Ik ben het zeker met de hoofdredacteur eens dat men op ‘geregelde tijdstippen’ aandacht zal moeten besteden aan de PVV-stem, maar juist bij een liberale krant hoort er wel een kwalitatieve toetsing plaats te vinden hoe dat moet.

Door Bosma een column in een liberale krant te gunnen, verleent men hem een kwaliteitswaarmerk dat hij niet verdient. Zijn boek getuigt van ernstig werkelijkheidsverlies. Van columnisten mag men verwachten dat ze eerbied hebben voor feiten, kritisch kunnen nadenken en analyseren, helder kunnen argumenteren en dat alles kan Bosma niet. Men moet niet doen alsof de leugen normaal is. Dat is niet zo. Van een krant als NRC Handelsblad verwachten we een grote openheid voor alle mogelijke meningen, maar we verwachten ook een kwalitatief oordeel. Manipulatie is geen mening. Het redelijke debat dient in de krant vanuit alle mogelijke invalshoeken gevoerd te worden. Martin Bosma is echter iemand die zich aan dat redelijke debat onttrekt, een politieke en intellectuele hooligan, en zoiemand hoort van een kwaliteitskrant geen vertrouwen a priori te krijgen. En nogmaals, artikelen van zijn hand plaatsen die na beoordeling wel aan de normen voldoen, dat is uitstekend.

-

Om principiële redenen heb ik nu mijn abonnement opgezegd. Maar uiteraard zal ik proberen NRC Handelsblad enigszins te blijven volgen, door de krant in bibliotheken en schenkgelegenheden te lezen of door van tijd tot tijd een los exemplaar te kopen. Ik zeg nu op, juist omdat ik altijd zo’n groot vertrouwen in de NRC heb gehad en dat nu beschaamd is.

Ik weet niet precies wanneer ik NRC Handelsblad ontdekt heb, maar het moet ergens in de tweede helft van de jaren zeventig zijn geweest. ’s Ochtends las ik sinds die tijd in het algemeen Trouw en ’s avonds de NRC. Het waren twee kranten die elkaar goed aanvulden. Terwijl Trouw destijds het gematigd progressieve geluid vertegenwoordigde, beviel de NRC mij vooral vanwege de wijze terughoudend en het gematigde oordeel. Ik heb NRC Handelsblad altijd als de allerbeste krant van Nederland beschouwd, een krant die met kop en schouders boven alle andere dagbladen uistak. Het was zonder meer de deftigste en voornaamste krant. Het was een krant die liberaal was in de goede zin van het woord: alle mogelijke opinies kwamen aan bod, zonder dat de krant zelf een activistische indruk maakte.

Ik ben de NRC tot maandag blijven waarderen. Als het ging om de kabinetsformatie in een tijd van verschuivende waarden, wist de NRC op een bewonderenswaardige wijze een principiële lijn aan te houden, waarbij traditionele, beproefde waarden hoog werden gehouden. Terwijl andere kranten – ik denk met name aan de Volkskrant, die ik bij tijden ook las – naar mijn indruk met alle mogelijke modieuze winden meewaaiden, bleef de NRC principieel, onafhankelijk en standvastig. Met de aankondiging van maandag en nog meer door het optreden van de hoofdredacteur in een tv-programma werd die reputatie in één klap vernietigd.

-

Als ik terugdenk aan de achterliggende drie decennia, dan schiet mij allereerst de naam van J.L. Heldring te binnen. Zijn column stond al die jaren in de krant, lange tijd twee keer per week, en ik las die meestal ook. Ik waardeerde die ook enorm. O ja, er waren spannendere, uitdagendere en scherpere columns. Helding was vaak verstandig, maar zelden spectaculair in zijn oordelen. Maar juist die rust boezemde vertrouwen in: een verstandig mens met verstandige oordelen, die zich niet door de mode liet meeslepen. Nog steeds weet en begrijp ik veel te weinig van politiek om uitgesproken rechts of links te kunnen zijn, maar ik heb me altijd herkend in Heldrings conservatisme, dat trouwens mijlenver afstaat van de revolutionaire oprispingen die in het laatste decennium door onnadenkende wildebrassen van dat etiket worden voorzien.

Ook H.J.A. Hofland heb ik graag gelezen, al had ik het gevoel dat hij meer met de tijdgeest meeboog. Zijn opvattingen bleven voor mij altijd wat raadselachtig, maar juist daardoor maakten ze telkens ook weer nieuwsgierig. Ik denk aan columns van H. van Galen Last, die gewoon in de krant over filosofen schreef, aan de vaak hilarische stukken van H.L. Wesseling, aan de buitengewoon evenwichtige beschouwingen van Sjoerd de Jong. De NRC is altijd mijn krant geweest. Ik weet niet van wanneer de slogan ‘Voor wie de nuance zoekt’ stamt, maar naar mijn gevoel gaf die precies weer waar de krant voor stond. In de jaren zeventig en tachtig was er vaak veel loze opwinding, mensen namen standpunten in die mij veel te stellig en ongefundeerd voorkwamen, demonstreerden voor zaken waar ik weinig van begreep. Het stelde mij altijd gerust dat de liberale avondkrant tussen alle modieuze geschreeuw in een baken van rust en bezinning bleef. Het was niet nodig om je het hoofd op hol te laten brengen. Er was een standaard voor kwaliteit. Misschien vergis ik me, maar naar mijn idee was de NRC rond 1980 de enige krant die als kwaliteitskrant werd aangeduid en werd die benaming pas later gebruikt om ook de Volkskrant en Trouw daarmee aan te duiden. Die norm lijkt nu opgegeven te worden. Dan wordt het tijd om afscheid te nemen.

-

Vanaf een zekere afstand zal ik de NRC wel blijven volgen. Ik ontvang de krant bovendien de komende anderhalve maand nog. Ik geef daarom op uw vraag graag ook nog commentaar op enkele andere aspecten.

Laat ik beginnen met mijn waardering uit te spreken. Enkele weken geleden heb ik de ombudsman bijvoorbeeld laten delen in mijn verbazing toen de dood van Antonie Kamerling, een acteur die ik alleen vaag van naam kende, groot op de voorpagina werd gebracht en het toekennen van de Nobelprijs aan de wereldberoemde auteur Mario Vargas Llosa erg klein werd gebracht. Ik bedacht toen al snel dat die kritiek wel gerechtvaardigd was, maar dat de krant elke dag ook enorm veel prachtige en informatieve artikelen bevat en dat ik er daarvan veel te weinig lees. De NRC is veel opzichten nog immer een geweldig goede krant. Met name de aandacht voor buitenlands nieuws, het werken met eigen correspondenten, is van grote klasse. Dat moet eerst gezegd worden.

Gelukkig met de nieuwe indeling ben ik niet. Het lijkt me dat men de nieuwe pagina’s twee en drie beter iets verder naar achteren, in de omgeving van de opiniepagina had kunnen onderbrengen. Nu vindt de lezer commentaar op pagina 2 en dan weer een aantal pagina’s verderop. Waarom niet bij elkaar?

Ik begrijp heel goed dat kranten momenteel experimenteren met de inhoud en de vorm. Niemand kan goed voorspellen wat de invloed van internet of nieuwe, nog komende technologieën zal zijn. Bestaat de papieren krant over tien of twintig jaar nog? Niemand die het kan zeggen.

Via internet kunnen we nieuws momenteel uit alle mogelijke bronnen halen. Maar hoe verwarrender het aanbod wordt, hoe meer we behoefte hebben aan een redactie die voor ons selecteert en het overzicht bewaart. Ik merk zelf dat ik de laatste jaren sommige dingen beter uitzoek – je kunt nu politieke debatten live volgen, brisante politieke documenten op internet zelf lezen zonder afhankelijk te zijn van een journalistieke samenvatting – maar tegelijk heb ik het idee dat mijn wereld kleiner wordt. Bepaald onbeduidend nieuws kom ik wel twintig keer op een dag tegen, maar de kans dat ik nog een beetje volg wat er in Latijns Amerika gebeurt, neemt door die overdaad alleen maar af. Ik denk dat een krant als NRC Handelsblad allereerst moet inzetten op een betrouwbaar nieuwsoverzicht.

Het valt te zien dat de krant momenteel worstelt met de verhouding tussen nieuws, achtergrond en verdieping, analyse en commentaar. De strenge scheiding tussen feiten en meningen lijkt te vervagen en dat is begrijpelijk. Maar mijn idee is dat een krant in deze tijd van oppervlakkige meningen juist voor het overleven zal moeten inzetten op de feiten en op overzicht. Het zou waarschijnlijk verstandiger zijn om de eerste bladzijden van de krant te (blijven) reserveren voor hard nieuws. Misschien dat nieuws dat ook al groot door radio en tv gebracht wordt, wat korter weergegeven kan worden dan men vroeger gedaan zou hebben, juist in die situatie is het aangenaam als men nog even kort de feiten voorgeschoteld krijgt. We lezen niet alle artikelen, maar koppen scannen we wel en twee grote krantenpagina’s naast elkaar kunnen nog steeds een goede indruk geven van wat er in de wereld aan de hand is.

Ik zou er daarom voor willen pleiten om de klassieke indeling te herstellen. Het zou in deze tijd van blikvernauwing eerder pas geven om al op pagina 2 en 3 te beginnen bij buitenlands nieuws en pas daarna het binnenlandse nieuws te doen. Eerst de wereld, dan Nederland en dan de analyses en de meningen. Waarom de opiniepagina’s en de achtergrondartikelen niet verder naar achteren? Het cultuurnieuws zou ook daarvoor en niet pas daarna langs horen te komen.

-

Tenslotte nog een opmerking over de vormgeving. Eerlijk gezegd sprong mijn hart op toen op 2 oktober de eerste voorpagina van 1 oktober 1970 werd afgedrukt. Eindelijk weer eens een krant die er normaal uitzag. O zeker, in zekere zin zien kranten er nu fraaier uit. Typografisch is er nu meer mogelijk. Maar ik vind dat de NRC er strakker en voornamer uit zou horen te zien. De voorpagina is nu een rommeltje. Waarom die foeilelijke balk met aankondigingen onder de kop? In een kiosk stoot dat af. Vergelijk dat eens met de fraaie ordening van de Frankfurter Allgemeine (FAZ), die tegenwoordig trouwens ook een foto boven de vouw heeft. De ordelijkheid van die krant trekt wel aan.

Naar mijn idee staan er ook veel te veel foto’s in de krant en vaak heel lelijk over de pagina’s verdeeld. Foto’s kunnen prachtig zijn en Vincent Menzel had soms schitterende foto’s die alles vertelden. Maar we leven nu in een cultuur waar we door beelden overvallen worden. Dan kan een krant zich beperken tot wat echt iets toevoegt. Veel te veel foto’s zijn ook in kleur. Dat ziet er niet uit. Foto’s van columnisten in kleur: het is alleen maar spuuglelijk. Ik zou niet aanraden om de vormgeving in één keer radicaal om te gooien. Een geleidelijke verstrakking zou de krant echter veel aantrekkelijker en spannender maken.

-

Ik hoop dat het NRC Handelsblad goed blijft gaan. Als de krant openlijk op haar dwaling terugkeert, zal ik me waarschijnlijk wel weer als abonnee aanmelden. Ik ben niet bang voor de PVV. Ik geloof echt niet dat die partij er daadwerkelijk in zal slagen om de grondslagen van ons rechtsbestel aan te tasten. Ik geloof ook helemaal niet dat de meeste kiezers van die partij daar op uit zijn. Maar ik vind het wel belangrijk dat enkele principiële normen gehandhaafd blijven. Ik had nooit verwacht dat ook NRC Handelsblad met de uitnodiging aan Bosma aan de huidige normvaging mee zou doen. Het leek me het meest stevige bastion van de rede.

Nu dat niet zo bleek te zijn, wilde ik ook uiting geven aan mijn teleurstelling. De afgelopen maanden hebben we gezien dat vele grenzen werden overschreden. We hebben nu met een kabinet te maken dat mede gebaseerd is op een gedoogakkoord dat met een conceptuele leugen begint en alle twintig bewindslieden, voor een deel zeker bekwame lieden, hebben die flauwekul actief geaccepteerd en zichzelf daarmee te schande gemaakt. Ik geloof niet dat het gevaar acuut is, maar dit is wel een tijd waarin we de principiële normen van een beschaafde maatschappij dienen te verdedigen. Juist van een liberale krant zou men de handhaving van essentiële beginselen mogen verwachten. Nu de hoofdredactie op dit punt zwakke knieën toont, wordt het tijd afscheid te nemen.

Deze brief stuur ik ook toe aan de ombudsman en ik zal hem ook op mijn weblog plaatsen. Ik hoop dat NRC Handelsblad de oude reputatie zal weten te herstellen en ik wil u veel creativiteit toewensen.

Met vriendelijke groet,

Jan Dirk Snel

.:.

2 thoughts on “Waarom ik NRC Handelsblad opgezegd heb

  1. Er staan nog diverse ongemodereerde reacties – niet alleen bij dit stuk, maar ook bij voorgaande stukken. Door omstandigheden ben ik er de afgelopen weken niet aan toegekomen ze te bekijken. Ik zal proberen dat zo spoedig mogelijk te doen.

  2. Tsja, wat is democratie! De ene wel en de ander niet omdat het democratische gehalte van de ander de een niet kan verdragen?
    In een open maatschappij moet er voor iedereen een platform zijn en moet in principe alles gezegd kunnen worden.
    Het is aan het openbaar ministerie en de rechter om te toetsen wat wel en niet door de beugel kan. Mensen bij voorbaat diskwalificeren omdat ze anders denken, tsja wat moet ik daar over zeggen.
    Binnen een democratie moeten debatten op het scherpst van de snede gevoerd kunnen worden.
    Soms een beetje vergif nodig om een echte vergiftiging te voorkomen daarom werkt een vaccinatie ook zo goed. Een beetje ellende kan door een publiek debat heel veel ellende voorkomen. En media is daarvoor het geeikte medium want de media is van iedereen en niet alleen van het “Ons soort mensen”.
    Isoleer nooit, nooit mensen of groepen!!!!