.:.
Wat is het kenmerk van een moderne liberale staat? De scheiding tussen wet en moraal, tussen staat en maatschappij, tussen het publieke en het private, zou ik zeggen.
-
Vanmiddag kwamen Naima Ajouaau en Robbert Baruch uitgebreid aan het woord in Dit is de Dag over de strijd binnen de PvdA over het al dan niet instemmen met een verbod op onverdoofd ritueel slachten. Twee aspecten komen dan aan de orde. Ten eerste het zakelijke, wetenschappelijke aspect: is het werkelijk dieronvriendelijker? Lijden dieren dan meer? Ten tweede het principiële aspect, de vrijheid van godsdienst, dat iets wat tot nu op grond van een grondrecht erkend werd, nu verboden dreigt te gaan worden.
Dat eerste zakelijke aspect is natuurlijk niet geheel zonder belang. Het is begrijpelijk dat het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap TNO gevraagd heeft eens kritisch naar enkele bestaande rapporten te kijken: hoe deugdelijk zijn die? Als Kamerleden vanuit dit soort kaders denken, is het begrijpelijk dat je ze juist op dit punt aanspreekt. En dan blijkt dat TNO enkele kritische noten kraakt. Niet onbelangrijk, maar toch niet het hoofdpunt, denk ik. Want de morele vraag blijft staan. Dieren die geslacht worden, die gaan dood. Is het dan zo gek dat ze lijden? Hoort dat dan niet bij hun ellendig lot?
Het tweede principiële aspect is belangrijker: dat van rechten die tot dusverre als onaantastbaar golden en nu voor velen niet meer. Aan het eind van de uitzending werden enkele reacties van luisteraars voorgelezen. En de vaste clichés komen dan voorbij: mensen die vasthouden aan traditionele praktijken, zouden achterlijk zijn of op zijn minst achterlopen. Middeleeuws zou het zijn. Ik verbaas me daar altijd over, want als we het over wrede praktijken – dat bedoelen mensen dan – hebben, dan heeft de vroegmoderne tijd toch heel wat meer te bieden, om over de beruchte afgelopen eeuw nog maar discreet te zwijgen. Als er nou één tijdvak in de geschiedenis van in ieder geval West-Europa is geweest, waarin enige reële voortgang werd geboekt, dan waren het toch wel de middeleeuwen. Vraag je eens af hoe Utrecht er in 1000 uitzag en wat je in 1500 te zien kreeg. Daar was wel iets opgebouwd, zou ik zo zeggen. Letterlijk.
Over vasthouden aan een boek van tweeduizend jaar oud gaat het ook altijd. Daar kunnen mensen – niet alle natuurlijk – helemaal niet bij. Afgezien van het feit, dat dat boek, de Bijbel, toch op zijn minst in een proces van zo’n duizend jaar tot stand gekomen is, ligt het natuurlijk wel wat ingewikkelder. De halacha zit wel iets ingenieuzer in elkaar, het gaat niet alleen om de schriftelijke tora, maar ook over de mondelinge, die trouwens ook weer opgeschreven is. En zoiets geldt ook voor de islamitische wetsuitleg, die uit de aard der zaak overigens iets nieuwer is. Maar het punt is natuurlijk niet dat die geschriften zou oud zijn, maar dat die onderdeel van een traditie zijn. Mensen hebben niet ergens een oude tekst opgedolven waar ze dan gek genoeg ook nog gezag aan gaan toekennen, nee, ze hebben die al die jaren met zich meegedragen en overgeleverd. En tot een eeuw of vijf geleden betekende dat dat je die met de hand steeds weer overschreef. Het gaat om tradities die leefden en die nog leven.
Het moderne vooruitgangsgeloof dat in de naïeve commentaren tot uiting komt, is nogal aandoenlijk. Lang was ouderdom juist een doorslaggevend argument. Hugo de Groot wrong zich in allerlei bochten om aan te tonen dat de Hollanders van de oude Bataven afstamden. En de omwenteling die in Nederland de moderniteit, onze moderniteit, inluidde, heette toch maar mooi de Bataafse Revolutie. Over mythen gesproken. Maar zoals ooit oudheid een doorslaggevend argument was, is nu moderniteit dat. Iets moet van deze tijd zijn. Het heden bepaalt de norm. Maar waar komen die normen dan vandaan? Tja, van de vooronderstellingen die we nu met zijn allen delen. Zijn die gegrond? Of zijn ze gewoon vanzelfsprekend?
Het punt waar veel begrip nu op stukloopt en daardoor in onbegrip verkeert, is dat het om de vrijheid van godsdienst zou gaan. Religie is tegenwoordig in een land als Nederland iets waar je aan kunt doen, maar waar je ook niet aan kunt doen. Dat is de makke. Toen de rechten van de mens voor het eerst geformuleerd werden, kon zich niemand dat voorstellen. De Verlichting hechtte grote waarde aan de morele kracht van religie. Maar nu beleven veel mensen religie als iets vreemds: zij hebben zich daarvan bevrijd en alleen wat achterlijke lieden doen daar nog wat aan. Ook dan zijn er uiteraard twee houdingen mogelijk. Je hebt een vorm van liberaliteit die mensen graag hun eigenaardigheden gunt. Tolerantie heeft uit der zaak nu eenmaal ook iets neerbuigends in zich. Maar je hebt ook een vorm van bevrijdingsliberalisme dat daar geen boodschap aan heeft. Dat vindt dat mensen zich maar een beetje aan moderne opvattingen aan moeten passen.
-
Tegen die achtergrond valt er wat voor te zeggen om godsdienstvrijheid vooral te bezien als vrijheid van moraliteit. Naar mijn idee is moraal de hedendaagse vorm van religie. Of anders gezegd: het is dat element van religie dat zich in een nieuwe gedaante voortzet. Wereldbeelden, riten, die kunnen verdwijnen of bijna onherkenbaar door andere vervangen worden. Maar moraal hebben mensen altijd. Zonder ethische opvattingen is geen samenleving mogelijk.
En daar komt het springende punt van de moderniteit om de hoek kijken: dat is de scheiding tussen wet en ethiek, tussen staat en samenleving, tussen het publieke en het private. Die scheiding, zeg ik er direct maar bij, is nooit absoluut. Ook de wet veronderstelt morele opvattingen. Naast het traditionele huwelijk is nu ook het zogenaamde homohuwelijk mogelijk, maar ik zie de wetgever nog niet zo snel overgaan tot het mogelijk maken van het polygame huwelijk (wel soms tot de erkenning van een elders wel rechtsgeldig huwelijk van dien aard, maar dat is meer een praktische erkenning tegen heug en meug van bestaande verschillen op de wereld). Maar de staat legt zich ook beperkingen op: met hoe je privé, achter je voordeur, leeft, bemoeit ze zich in principe niet, althans niet al te hoge mate.
Ik stel voor om wat godsdienstvrijheid heet en het internationaal ook nog heel lang zal blijven, in een context als de Nederlandse vooral te benaderen in termen van vrijheid van moraal. Hoeveel vrijheid gunt de staat mensen om er hun eigen moraal op na te houden? Dat geldt dan ook voor een moraal die zichzelf – en dan laat ik graag in het midden hoe terecht dat is – als niet-religieus of seculier beschouwt. Het probleem is alleen dat als een specifieke, zogenaamd seculiere moraal afwijkt van de gangbare, die momenteel minder papieren heeft om zich op te beroepen.
Dat heeft de algemene moraal die de meesten van ons delen, vaak onnadenkend, in feite ook. Wij weten niet waar onze moraal vandaan komt. Bepaalde principes zijn in feite onbespreekbaar. We zijn bijvoorbeeld allemaal democraten. We zijn allemaal voor het gelijkheidsideaal. Iets anders kun je eigenlijk niet eens vinden. De meerderheid in een democratie legt ‘een geweldige cirkel om het denken’, schreef Alexis de Tocqueville al. Maar binnen die gedeelde onaantastbare vooronderstellingen, waar menselijke waardigheid, authenticiteit en zelfbeschikking toe behoren, discussiëren we ons suf. Zo komt onze gedeelde moraal ook tot stand: zonder al te veel grond, maar wel met stevige onderlinge argumentatie binnen dat kader. Moraal is er al. Die was er al toen we geboren werden. We discussiëren niet over de grondslagen, maar over geleidelijke aanpassingen en vooral, denken we, verbeteringen. Nog steeds heeft ‘progressief’ een betere klank dan ‘conservatief’, al is de term aan slijtage onderhevig.
De grens tussen wet en moraal, tussen overheid en samenleving is niet waterdicht. Die grens staat steeds weer ter discussie en daar gaat het hedendaagse debat ook over. Het maatschappelijke debat valt in hoge mate samen met het politieke debat. In plaats van onderling het gesprek aan te gaan – waarom moet jij nu zo eigenwijs zijn om er heel anders over te denken en er vooral heel andere morele praktijken op na te houden dan wij? – gaan we direct over tot de politiek. Schandelijk? Verbieden! Ook dat is trouwens niet zo bar veel anders dan een eeuw geleden. Onlangs heb ik nog eens wat zitten te lezen in de Handelingen van 1911 toen de Tweede Kamer acht dagen lang debatteerde over de toen aangenomen zedelijkheidswetgeving, die in de tweede helft van de eeuw weer effectief ontmanteld is. Wat me het meest opviel, was het gedeelde morele kader. Over de uitgangspunten, wat als onzedelijk uit de publieke ruimte geweerd moest worden, was men het in hoge mate eens, de vraag ging meer over de effectiviteit van de voorstellen. Hielp een bordeelverbod of het werkte het averechts? Dat soort dingen.
De grens tussen het publieke en het private staat steeds weer ter discussie. Het is nooit de bedoeling geweest dat het private zich tot strikt achter de voordeur zou beperken. De drie tweedelingen die ik aan het begin introduceerde, vallen zo niet allemaal samen. Het publieke is niet identiek aan de wet of de staat. Moreel gedrag uit zich altijd in de publieke ruimte. Het was ook nooit de bedoeling in de liberale traditie dat het private strikt individueel zou zijn. Tocqueville was overtuigd van de voordelen van de moderne gelijkheid en liberaliteit, maar individualisme zag hij als een uitwas. Juist in de maatschappij verbinden mensen zich en zetten ze samen tradities voort. De vraag is alleen hoe die publieke ruimte afgebakend wordt en waar de wetgever zich wel of niet mee bemoeit.
-
Dit is een boeiende tijd. Mensen staan nu enigszins traditieloos in de tijd en ze beschouwen dat als een verworvenheid, een bevrijding. Maar hoe gaat dit verder? Als wij nu zo verheven morele opvattingen hebben, kristalliseren die zich dan weer uit in een nieuwe traditie die zich op een gegeven moment toch weer op haar oude papieren gaat beroepen? Je kunt immers niet eindeloos blijven vernieuwen. Althans niet voortdurend. Als het bijvoorbeeld om pedofilie gaat, hebben we al gezien hoe de experimenteerlust van enkele decennia geleden zich inmiddels uitgekristalliseerd heeft in nieuwe, zeer strikte grenzen, die niet voor niets ontstaan zijn, maar op ervaring en inzicht gebaseerd zijn. Moraal is ook altijd een kritische reflectie op ervaringen.
Het is duidelijk waar ik sta. Ik ben voor de pluriformiteit, voor de erkenning van verschillen tussen mensen. En ja, ik weet heel goed dat ook daarbij grenzen gelden. Niet alles wat zich als traditie aandient, vooral niet als die van buiten komt, erkennen we. Wat mensen schaadt of althans ernstig schaadt, dat erkennen we niet.
En de vraag is natuurlijk waarom je diversiteit zou erkennen. Waarom is de eigenheid van mensen een waarde? Ook dat is een morele vraag die te maken heeft met gedeelde hedendaagse morele opvattingen, met de erkenning van het recht van mensen op hun eigen uitingen van authenticiteit onder meer. De posities die nu tegenover elkaar staan, beroepen zich in feite op dezelfde gedeelde waarden. Maar als je doorvraagt, kun je ook daar weer ondermijnende vragen bij stellen, zoals je dat bij alle ethische opvattingen kunt. (Beginnende sceptici willen nog wel eens de vraag opwerpen waarom je, als je daar toevallig zin in hebt, andere mensen niet mag doden. Ik zat ooit op een zogenaamde filosofische kring naast een meneer die dat vol aplomb beweerde. Ik heb hem toen maar verteld dat ik hem niet geloofde, want dat ik anders niet zo rustig op mijn stoel bleef zitten. Ernstig scepticisme is zo kinderlijk.)
Tolerantie staat op gespannen voet met de gelijkheid van een democratische samenleving, ook al hebben beide gezamenlijk hun opwachting gemaakt. Tolerantie, ik merkte het al op, heeft ook iets neerbuigends. Dat kan eigenlijk niet anders, tenzij het onverschilligheid is, wat sociaal overigens niet altijd een ondeugd hoeft te zijn. Een sterke staat kan het zich veroorloven om verdraagzaam te zijn. Ze staat immers soeverein boven haar onderdanen en kan daarom best het een en ander hebben. Frederik de Grote vond het niet zo moeilijk om te stellen dat iedereen maar naar ‘nach seiner Façon selig’ moest zien te worden. Als verlicht despoot kon hij zich zo’n houding permitteren. Maar een democratische staat is van ons allemaal. Naarmate de fictie van de maatschappelijke verbintenis die we stilzwijgend met zijn allen zouden zijn aangegaan, gangbaarder wordt, wordt het moeilijker om de overheid te zien als iets dat ver boven ons staat. De overheid belichaamt onze moraal. En als wij weten wat goed is voor onszelf, waarom zouden we daar dan onze medemens niet op aanspreken? Waarom zouden we hem een uitzondering toestaan op wat dwingend goed is?
-
Ik had dit stukje even laten staan. Ik twijfelde of ik het wel plaatsen moest, omdat ik vond dat ik in feite te veel herhaalde wat ik al eerder – hier en hier met name – schreef. Maar toen zag ik op twitter via via een treffend voorbeeld van hedendaagse argumentatie langs komen. ‘Mijn uitgangspunt is dat ik maar n paar procent van DNA verschil van het “vee”’, schrijft iemand serieus. Ik herken dat soort denken, want ik heb heel wat filosofische cafés over dierenrechten meegemaakt. Er zijn mensen die dat echt voor een ‘rationele’ manier van denken houden. Op dezelfde wijze vragen filosofen zich soms ook af of robotten op den duur niet mensenrechten zouden moeten krijgen. Ik zou zeggen: wacht maar af tot ze die bij een demonstratie op de Dam op komen eisen. Het is een volstrekt wereldvreemde, theoretische wijze van denken, die de alledaagse menselijke ervaring miskent en naar mijn idee de grondslagen van de moraal aantast. Maar als iemand er voor zichzelf een dergelijke abstracte moraal op na wil houden, laat hem zijn gang gaan. Maar waarom zou je een dergelijke vreemde wijze van redeneren normatief voor anderen achten? Waarom zouden die niet op hun eigen wijze tegen het onderscheid tussen mens en dier mogen aankijken? Dat is de vraag waar het om gaat, maar die men vaak niet eens onderkent.
En volgens mij is de vraag dan toch of je erkent dat anderen recht op hun eigen moraal hebben. Maar nu ik de titel hier zo boven zie staan, moet ik toegeven dat vrijheid van moraal een beetje vreemd en dubbelzinnig klinkt.
.:.
Goede suggestie om vrijheid van godsdienst te vervangen voor vrijheid van moraal. Momenteel worden mensen die er een godsdienst op nahouden nogal eens bezien als een vreemde diersoort door de zogenaamde ontwikkelde seculiere mens. Vrijheid van godsdienst zou dus een privilege zijn voor religieuzen. En daarom strijdig met het gelijkheidsprincipe. Maar moraal hebben we allemaal. Beluister voor de grap de woordvoerders van enkele linkse partijen eens als het gaat om bijvoorbeeld de vrouwenkwestie bij de SGP. Deze verlichte personen hebben vaak niet in de gaten dat ze er morele oordelen op nahouden die lastig te onderbouwen zijn. http://nos.nl/audio/246424-sgp-en-vrouwen-is-als-vrouwen-in-saudiarabie-die-geen-auto-mogen-rijden.html
Op zich is de suggestie om de ‘vrijheid van moraal’ in te voeren in plaats van de ‘vrijheid van godsdienst’ een interessante gedachte waar ik wel iets mee kan. Je kunt zelfs stellen dat het een moeilijke discussie in de Tweede Kamer weer vlot zou kunnen trekken.
Het is vaak zo dat tegenstanders sterker geloven in de standpunten die ze bestrijden dan de aanhangers van het standpunt. Daar moet je voor waken maar dat is niet de discussie bij de rituele slacht daar gaat het om of we een uitzondering op de geaccepteerde moraal toestaan op religieuze gronden.
Het is jammer dat in dit artikel van het dierenrechtenstandpunt een karikatuur wordt gemaakt. We moeten immers erkennen dat het zogenaamde rituele slachten waar deze column eigenlijk overgaat vaak leidt tot misstanden. Recent nog in de relatie tussen Australië en Indonesië. In Joodse slachthuizen in de VS zijn enige jaren geleden zware misstanden opgetreden door het wat ruim omgaan met de regels van de kosjere slacht. Inmiddels is de moraal in Nederland zover dat we stellen dat dieren alvorens ze worden gedood verdoofd dienen te worden, juist om dit te voorkomen. De vraag is niet of mensen daar anders over mogen denken, natuurlijk mogen ze dat. Ze mogen er zelfs anders over schrijven er is immers vrijheid van meningsuiting. De echte kwestie van moraal is: mogen ze er naar handelen of beter: zijn er groepen in de samenleving waarvoor de heersende moraal niet geldt?
Als je het in termen van pedofilie vertaalt: is pedofilie op religieuze gronden toegestaan. Ik besef dat ook dit een karikatuur is maar het maakt het punt wel duidelijk. Wanneer we als samenleving afspreken dat we dieren verdoven voor de slacht moeten we daarvoor op religieuze gronden geen uitzondering maken. Dieren hoeven geen mensenrechten te krijgen maar we moeten ze wel met respect behandelen en in mijn ogen is de rituele slacht respectloos en zelfs in strijd met de geest van de religie die ze voorschrijft.
In hoeverre zijn gelovigen solidair(over neerbuigend gesproken..) tov de autonome moraal waarin geen rol is weggelegd voor(de stem van)God en zijn beloofde hiernamaals? In Nederland is het zo dat hun loyaliteit bij de moraal van God ligt en niet bij die van de staat. Een begrijpelijke (maar problematische)houding aangezien de seculiere medemens het zonder steun van bovenaf moet doen!