.:.
Ik ben bezig met de lectuur van de prachtige nieuwe uitgave van Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville, het befaamde werk uit 1935 en 1840, dat nu vertaald is door Hessel Daalder en Steven Van Luchene en bezorgd door Andreas Kinneging. Ja, ik had het werk in – ik moet het tot mijn schande bekennen – een Engelse vertaling, de bekende door George Lawrence, bezorgd door de grote kenner J.P. Mayer, al jaren in de kast staan, maar ik had het boek nooit van A tot Z gelezen. Nu komt er dan eindelijk van. Maar ik had er in ieder geval vaak genoeg in gebladerd om direct te stuiten op een overzettingseigenaardigheid in de allereerste zin:
Van al het nieuwe dat tijdens mijn verblijf in de Verenigde Staten mijn aandacht heeft getrokken, heeft niets mij sterker getroffen dan de standsgelijkheid.
Standsgelijkheid? Ik meende in het Engels toch iets anders gelezen te hebben. Dat klopte. Daar staat dit:
No novelty in the United States struck me more vividly during my stay there than the equality of conditions.
En om toch het origineel er maar even bij te halen, in het Frans staat er dus dit:
Parmi les objets nouveaux qui, pendant mon séjour aux États-Unis, ont attiré mon attention, aucun n'a plus vivement frappé mes regards que l'égalité des conditions
De nieuwe Nederlandse uitgave bevat een ‘Verantwoording van de vertaling’ (pagina 1061-1064) door de twee vertalers en de bewerker. Daarin wordt ook de term égalité des conditions besproken. De drie leggen uit dat equality of conditons een uitstekende weergave in het Engels is, maar dat gelijkheid van omstandigheden geen goede weergave in het Nederlands vormt. Daar hebben ze gelijk in. Ze leggen vervolgens uit dat condition een betekenis heeft die de edelman Tocqueville “altijd voor ogen heeft gezweefd, namelijk ‘stand’.” Dat geloof ik onmiddellijk, althans dat hij dan aan zoiets als stand of standen of het verdwijnen daarvan gedacht heeft. Ze voeren trouwens ook bewijs aan. Maar als ze zeggen dat het begrip dus een “glasheldere betekenis” heeft, namelijk standsgelijkheid, dan twijfel ik toch even. Inhoudelijk wel, lijkt me, maar klopt het woord wel? Standsverschil is een zinvol begrip: als er standen zijn, doet het verschil er toe. Maar standsgelijkheid is min of meer een contradictio in terminis: standen kunnen niet gelijk zijn, tenzij je bijvoorbeeld standen in India en Engeland vergelijkt. Zodra standen gelijk zijn, zijn er geen standen meer. Wie van gelijkheid uitgaat, ontkent min of meer dat er nog standen zijn. (Je kunt ook over standsgelijkheid spreken als het gaat over twee lieden van gelijke stand, maar daar gaat hier niet over; hier betreft het het aan elkaar gelijker worden van de verschillende maatschappelijke standen.)
Ik wil niet te veel zeuren: standsgelijkheid geeft zonder meer aan wat Tocqueville bedoelt. In die zin heb ik ook geen bezwaar tegen de vertaling. Toch geloof ik dat een betere weergave in het Nederlands mogelijk was geweest, namelijk: gelijkheid van verhoudingen of soms wellicht gelijke verhoudingen. Ter verduidelijking zou men soms kunnen vertalen met gelijkheid van maatschappelijke verhoudingen of gelijke maatschappelijke verhoudingen. Dat lijkt me precies wat Tocqueville bedoelt. Uiteraard doelt hij op het uitwissen van de grenzen tussen de standen, maar tegelijk is zijn zegswijze net iets algemener, zoals trouwens ook zijn begrip van democratie nogal onbepaald is. Het gaat om de wijze waarop mensen zich tot elkaar verhouden: op gelijke voet. Althans in die richting gaat het.
-
Waarom deze lange inleiding? Om aan te geven dat Tocqueville gelijk had. Gelijkheid was de tendens die hij waarnam. Maar ik denk niet dat hij ooit de huidige dogmatische omgang met dat begrip had kunnen voorzien.
Soms valt het echter mee, enorm mee. Zaterdag (28 mei 2011) nam het congres van D66 tot mijn aangename verrassing een motie aan waarin de fractie van de partij in de Tweede Kamer werd gevraagd om tegen een wetsvoorstel over het verbieden van onverdoofde rituele slacht, dat ingediend is door de Partij voor de Dieren (PvdD), te stemmen. Het is een bericht dat mijn dag helemaal goedmaakte. Het congres is van mening dat het verbod een inperking is van de vrijheid van godsdienst. Dat is juist gezien en het is verheugend dat de actieve leden van deze partij, die zich tegenwoordig als liberaal beschouwt, een dergelijk aangelegen punt zo scherp zien.
Ik wil daarbij graag opmerken dat het wat mij betreft inhoudelijk eigenlijk niet van belang is dat het om de vrijheid van godsdienst zou gaan. Het punt lijkt me dat de eigenheid van een bepaalde groep wordt erkend. Vanouds heet die eigenheid godsdienst. Het is een min of meer tautologische kwestie: wat gemeenschappen vanouds gemeenschappelijk hebben of althans samen celebreerden, noemen we namelijk religie. Tegenwoordig zijn er mensen die menen dat ze geen religie hebben – in de zin dat ze niet in iets hogers of een godheid geloven –, maar ook zij geloven in bepaalde heilige morele principes en in die zin is religie niet anders dan een term voor groepsmoraal. (Durkheim had gelijk: godsdienst gaat niet per se over iets hogers, maar over het onderscheid tussen het profane en het heilige en dat onderscheid kent elke maatschappij, ook de onze. Maar dit terzijde.)
Waar het om gaat, is dat we in een vrije maatschappij erkennen dat er veel is dat ons verbindt, maar dat mensen binnen die maatschappij ook recht hebben op hun eigenheid, hun afwijkende moraal, hun religie dus of ze dat nu zo noemen of niet. Er zijn dingen die voor hen heilig zijn, die dat voor mij niet zijn. Dat geldt voor orthodoxe joden, maar ook voor sommige moslims. Als ik aan de laatsten in dit geval minder denk, is dat niet omdat ik geen oog voor hen zou willen hebben, maar omdat ik hun stem de laatste weken of maanden minder hoorde. De joodse gemeenschap gaf echter aan dat ze zich hard getroffen voelde. Ik meen dat een niet onbekende rabbijn, die ook gediplomeerd sjocheet is, teleurgesteld twitterde, dat hij eraan dacht om de dodenherdenking op 4 mei dit jaar maar over te slaan. Of hij daadwerkelijk thuis gebleven is, weet ik niet. Maar ik begreep – denk ik, voeg ik er voorzichtigheidshalve maar aan toe – wat hij bedoelde. Uit alles is helder dat een mogelijk verbod orthodoxe joden, en kennelijk ook sommige moslims, tot in het diepst van hun ziel – en dat is dus hetzelfde als hun alledaagse uiterlijke bestaanswijze – treft. (Zie verder ook de speciale website Kosjer Slachten.)
Al eerder heb ik hier aangegeven dat de hele redeneerwijze mij persoonlijk vreemd is. Als het om ethiek gaat, denk ik in het vooral in Nederland bekende patroon van waarden en normen. Je hebt bepaalde waarden of intenties en die probeer je via bepaalde regels, normen dus, te verwezenlijken. Dezelfde waarde kan in verschillende normen geconcretiseerd worden en dezelfde normen kunnen toch verschillende waarden uitdrukken. Het lijkt me helder dat de regels van de sjechita uit zijn op een zorgvuldige omgang met slachtdieren. Zo geredeneerd zou je kunnen zeggen: als uit wetenschappelijk onderzoek blijkt, dat het nog zorgvuldiger kan, dan pas je je regels daaraan aan. Maar zo werkt de halacha dus niet. Die gaat, als ik het een beetje begrijp, juist uit van de regels. De regel is de kern van de rite. En bij rites – Frits Staal heeft daar altijd op gehamerd – gaat het zeker zo vaak om het betekenisloze of ondoorgrondelijke als het tegendeel. De werkzame fictie is dat de regel uit de mondelinge tora uiteindelijk via een soms zeer dun lijntje terug gaat op de Sinai en dan gaat het eerder over het voorschrift dan om het beginsel. Er zijn mensen die daar lacherig over doen en het absurd noemen, maar je kunt er ook een geheimenis in zien. Er zijn denkwijzen die anders zijn, zoals onze denkwijze over een eeuw ongetwijfeld met even grote verbazing wordt bezien als wij dat doen met die van honderd jaar geleden. Juist de alteriteit erkennen we, het verschil. Daarin erkennen we ook onze eigen beperking.
Of niet? Juist daar beginnen vaak de problemen. Er zijn mensen die best begrijpen dat bepaalde groepen erg aan hun eigen gewoonten hechten en ze die ook wel gunnen, maar die één principe nog belangrijker vinden: rechtsgelijkheid. Als er voor welomschreven groepen in de wet een uitzonderling wordt gemaakt en dat is momenteel al het geval, dan zouden die voorgetrokken worden. Er zijn zelfs mensen die ongegeneerd schrijven dat anderen dan dus gediscrimineerd worden. Religieuze mensen zouden meer mogen dan lieden die niet godsdienstig zijn. Nu is dat in dit geval niet de scheidslijn, want het gaat hier om joden en moslims en niet om christenen of hindoes. Het gaat dus om bepaalde religieuze opvattingen versus alle andere opvattingen. Maar dan nog: is het onderscheid dat onmiskenbaar gemaakt wordt, een kwestie van discriminatie, dus van niet gerechtvaardigd onderscheid? Mogen bepaalde groepen meer? Wie praktisch kijkt, zal het tegendeel zien. Voor orthodoxe joden is er maar één geldige wijze van voedselbereiding en voor hen is de keuze die tussen die ene optie van kosjere vleesbereiding of geen vlees eten. En mutatis mutandis geldt dat kennelijk ook voor bepaalde rechtzinnige moslims. Méér vrijheid verwerft men zeker niet. Je zou eerder kunnen zeggen dat een uitzonderingsbepalling de gelijkheid weer herstelt: ieder kan nu vlees eten dat tot stand gekomen is op de wijze die bij zijn opvatting van de wereld past.
-
De vrijheid en de gelijkheid van mensen komen zo dus op optimale wijze tot uiting, zou je kunnen betogen. Maar daarbij geldt wel één vooronderstelling of constatering: namelijk dat mensen niet gelijk zijn. Sommige mensen hebben andere opvattingen en houden er andere praktijk op na. Alleen als je die morele uitgangpunten honoreert, kun je ze recht doen. Gelijke gevallen moet je gelijk behandelen, maar ongelijke dus ongelijk om toch weer gelijkheid en vrijheid te bewerkstellingen. En op dat punt bestaan er vandaag de dag enige weerstanden. Sommigen hebben er moeite mee om de bestaande verschillen te erkennen. Een bepaalde vorm van egalitair liberalisme kan zo toch tot een zekere onverdraagzaamheid leiden: allen moeten maar in het zelfde stramien passen. We are all individuals, aren't we? Wetten gelden voor iedereen en elk individu moet zich maar aan dezelfde regels aanpassen. Conformeren, dat is het woord.
Op zich doet dat honoreren van wezenlijke verschillen van mensen en vooral van groepen enigszins denken aan het rechtsbewustzijn zoals dat onder het oude bewind, het ancien régime, heerste. Toen dacht men immers wezenlijk corporatistisch. (Het is trouwens een denkwijze die niet tot het oude Europa beperkt was, maar die we ook zien in de omgang met minderheden in islamitische maatschappijen.) Mensen en groepen hadden vrijheden en die lagen vast in privileges waar ze zich op konden beroepen. Lijkt daar deze omgang met grondrechten ook niet iets op? Ja, ik denk van wel. Maar ik vermoed dat je twee dingen moet onderscheiden: het verschil in behandeling kon allereerst betrekking hebben op standsverschil en dus machtsongelijkheid incorporeren. Een edelman werd voor het gerecht anders behandeld dan een arme sloeber en dat achtte men rechtvaardig: hij had immers een andere stand, een andere wijze van leven en verdiende dus ook anders behandeld te worden. Het is die ongelijkheid die onder vuur is komen te liggen en waar Tocqueville ook op duidt in zijn werk, al moeten we erbij zeggen dat het idee dat na het afschaffen van de standsgerelateerde rechtspraak toch af en toe klassenjustitie opduikt, soms enige grond lijkt te hebben. Maar er is dus een ander element van het rechtsbewustzijn van het oude rechtsdenken dat niet zonder schade geheel onderdrukt kan worden en dat is dat mensen en groepen wezenlijk verschillen. Wil je mensen recht doen, dan zul je juist met hun eigenheid rekening moeten houden.
Daarom houdt dit geval me nu al een tijdje bezig. Ik zie – ook op Twitter, dat ik momenteel enigszins probeer te ontvluchten – dat er tegenwoordig vaak enorm doctrinair geredeneerd wordt: dit is het principe en dat zal koste wat kost uitgevoerd worden. Iedereen is gelijk en daarom kunnen we aan zeurende groepen geen uitzonderingen toestaan. Ambtsbekleders worden gekozen of benoemd en daarom is een monarchie die op geboorte berust, een archaïsche anomalie. En zo verder. Veel van die redeneringen zijn niet geheel onbegrijpelijk. We delen bepaalde uitgangspunten met elkaar en ik sta daar niet buiten. In elk discours worden er gedeelde uitgangspunten verondersteld die niet nader ter discussie staan. Taal is als zodanig al geen privézaak en in die zin delen we reeds een conceptueel kader met elkaar. Er zijn dingen vanzelfsprekend en soms zijn ze heilig. Dat is de huidige vorm van de gedeelde burgerlijke religie. Het is bijna niet mogelijk daaraan te ontsnappen en het is ook de vraag of het wenselijk is. De mens is een gemeenschapsdier, om het befaamde dictum van Aristoteles maar eens lichtelijk te variëren, en buiten die gemeenschap kan hij ook niet leven. Maar in een samenleving die zichzelf op de borst klopt dat ze zo vrij is, is het wel de vraag in hoeverre er daarbinnen ruimte is voor kleinere gemeenschappen met eigen gebruiken en zeden. Hier komt het punt om de hoek kijken waar Tocqueville zich steeds zorgen over maakte: dat van de dictatuur van de meerderheid of de massa. Die begint niet bij wetten, maar bij bepaalde denkwijzen. Een nieuw legisme, dat weliswaar herinnert aan de negentiende-eeuwse variant, maar dogmatischer is, omdat het minder oog heeft voor werkelijk bestaande verschillen, ligt tegenwoordig op de loer.
-
Hoe het ook zij, het is zeer verheugend dat uitgerekend het congres van D66, een partij die door sommigen er nog wel eens van verdacht wordt de hedendaagse gelijkheidsideologie met harde hand te willen opleggen – ik onthoud me nu even van een oordeel op dit punt –, oog bleek te hebben voor de wezenlijke vrijheid van bepaalde mensen. Ik ga ondertussen verder met mijn lectuur van Tocqueville. Hij hield van de vrijheid, hij signaleerde de oprukkende gelijkheid en hij vroeg zich af hoe die twee te combineren waren. Het is een vraag die ons nog steeds bezighoudt. Het is goed om daarbij te bedenken dat vrijheid niet een nieuw begrip is, maar een streven dat al vele eeuwen in het Europese rechtsdenken geïncorporeerd is. En dat ook na het grotendeels uitwissen van klassiek standsverschil onze maatschappij helemaal niet zo gelijk is.
Ik gaf Tocqeville in het begin van dit stukje misschien iets al te genereus gelijk. In de tendens die hij waarnam, had hij gelijk, maar de edelman in hem neigde ook tot overdrijving. Waar hij gelijkheid zag, zouden wij nu vooral standsongelijkheid zien, vermoed ik. De gelijkheid is veel verder gegaan dan hij destijds kon waarnemen. Maar dat is niet het enige. Er is ook nog steeds ongelijkheid, misschien wel nieuwe ongelijkheid. Waarom wordt gelijkheid vandaag de dag zo vaak als principe aangehaald? Omdat we feitelijk allemaal gelijk zijn? Dacht het niet. Nee, omdat we het niet zijn. Soms krijg je het gevoel dat er ongemakkelijk bepaalde verschillen bezworen moeten worden.
Vrijheid laat zich, vermoed ik, niet vastleggen in doctrinaire regels. Het gaat om praktische politieke wijsheid. En die blijkt ruimer aanwezig te zijn dan ik wel eens vreesde.
.:.
Waarheidsvinding 2.0! Heb ervan mogen genieten.