Materiële en formele neutraliteit


.:.

Wie stelt dat de staat neutraal is, beoogt daarmee gemeenlijk niet een feitelijke observatie te doen met een beperkte theoretische draagwijdte – zo van: zo zit onze overheid nu eenmaal in elkaar, wat interessant -, nee, die brengt een normatieve stelling  met een concreet doel naar voren. De overheid is niet zozeer neutraal, de overheid behoort neutraal te zijn. Ook wie het eerste zegt, bedoelt meestal het tweede.

En daar worden dan praktische consequenties uit getrokken. Daar gaat het ook om. Dat bepaalde dingen niet bij de overheid zouden passen en waar mogelijk verboden zouden moeten worden. De overheid is neutraal en daarom passen er achter een balie geen hoofddoekjes, dat soort redeneringen. De neutraliteit is meestal de reden die pas op de proppen komt als een concreet verbodsverlangen gefundeerd moet worden.

Dikwijls dringt zich al snel het vermoeden op dat de veronderstelde neutraliteit van de staat behoorlijk overeenkomt met de positie van degene die de norm poneert. Of er is een concreet belang in het geding, dat kan ook. Discussies over de neutraliteit van de overheid spelen zich vaak in een polemische sfeer. Ook toen ik mijn stukje – ‘De overheid is niet neutraal’ – schreef, lagen er wel enkele concrete uitingen voor waar ik tegenin had kunnen gaan, maar ik had daar op dat moment geen zin in. Ik besloot een wat mijmerend stukje te schrijven waarin woorden als ‘religie’ of ‘godsdienst’ en vooral ‘hoofddoekje’ bewust ontbraken, al werden de zaken zelf wel zijdelings aangeroerd; daar viel net niet aan te ontkomen. En in de ontkenning in het opschrift lag natuurlijk toch al een zekere polemische strekking. 

-

Het aardige van de uitvoerige kritiek die Joel Erwteman op zijn weblog Een Geur van Hoger Honing onder de titel ‘Neutraliteit als keuze’ bij mijn stuk formuleert, is in feite dat die niet past in dit geijkte patroon. Tot andere praktische conclusies komt hij in feite niet, wel is hij het met me oneens inzake de aard van de staat. In hoeverre we het werkelijk oneens zijn, valt nog te bezien. 

In dit stukje ga ik alleen in op zijn opmerkingen over de neutraliteit van de staat. Over grondrechten ga ik hierna afzonderlijk in. Nu ik mijn vorige stukje nalees, begrijp ik wel waarom ik een beschouwing over de waardebepaaldheid van overheid en wetgeving liet overgaan in een beschouwing over de vrije maatschappelijke sfeer die door grondrechten afgebakend. Het ging immers over de vraag hoe de beantwoording van de vraag naar het goede leven opgedeeld wordt, maar juist omdat het om een afbakening gaat, is het ook niet nodig om beide thema’s per se samen te behandelen. Ik haal ze nu even uit elkaar. Hier beperk ik me tot de neutraliteitsvraag, in een volgend stukje ga ik nader in op grondrechten.

Het spreekt, vermoed ik, vanzelf dat ik zelf niet van mening ben dat mijn betoog ‘innerlijk tegenstrijdig’ is, zoals Erwteman denkt. Ik gebruik neutraliteit alleen in twee heel verschillende betekenissen, zeg het onderscheid tussen materiële en formele neutraliteit. Inhoudelijk is de overheid naar mijn idee als zodanig niet neutraal, tenzij in bepaalde gevallen dat ze bewust kiest voor neutraliteit – in de zin van onthouding van oordeel bijvoorbeeld. Procedureel is de overheid wel neutraal: ze behoort gelijke gevallen gelijk te behandelen. Dat bedoelde ik met mijn opmerking over de presentatie. Erwteman heeft groot gelijk als hij opmerkt dat het ‘raar’ zou zijn ‘om je te presenteren als iets dat je expliciet niet bent en ook niet wil zijn’, maar ik bedoelde daar niet meer dan de wijze waarop de overheid mensen tegemoet treedt, niet de materiële inhoud van dat overheidsoptreden. Kortom, naar de zaak is de overheid partijdig, in de behandeling van mensen is ze onpartijdig.

 -

Eerst de materiële neutraliteit. Erwteman geeft een eigen omschrijving van wat hij het ‘beginsel van de neutraliteit van de overheid’ noemt:

Een betere opvatting van neutraliteit is dat de overheid – én iedereen die zich met het politieke debat bezighoudt – zich bij al zijn handelen afvraagt of de redenen die die bij dat handelen horen redelijkerwijs veralgemeniseerbaar zijn. Als de overheid zich dit af blijft vragen dan zal daaruit een handelen voortvloeien dat wellicht niet aan de voorkeuren van iedereen beantwoordt (dat is onmogelijk), maar dat wel (althans in theorie) met de voorkeuren van een ieder rekening heeft gehouden.

Overheidshandelen is vaak zo concreet – nu richten we dit museum op, leggen we die tunnel aan – dat veralgemeniseerbaarheid (naar analogie van de mijns inziens mislukte wijze waarop Immanuel Kant probeerde een materiële ethiek op formele grondslag te bouwen) op zich, dunkt me geen criterium kan zijn, maar als we goed lezen heeft Erwteman het over de veralgemeniseerbaarheid van de redenen voor het handelen en ik vermoed hij daarmee doelt op de klassieke gedachte dat de overheid op het algemeen belang gericht hoort te zijn en dan heeft hij zeker gelijk. Maar ik zie niet goed in waarom je daar het etiket neutraliteit aan toe zou kennen. Juist rond de invulling wat het algemeen belang vereist, dient de waardenstrijd zich aan. Is het in het algemeen belang om de economie verder te reguleren of niet? Om het ontslagrecht te versoepelen of juist niet? Dat soort vragen. Juist daar dienen de verschillende uitgangspunten, de pluriforme opvattingen over een rechtvaardige samenleving zich aan.

Als Erwteman vervolgens ‘schreeuwers en halve zolen’ van de discussie wil uitsluiten, voel ik wel met zijn streven mee, maar het punt lijkt me dat je nu eenmaal niet kunt bepalen wie er door de kiezers afgevaardigd worden. Dat wil niet zeggen dat het niet zinvol kan zijn om normatieve ideeën te ontwikkelen omtrent geldige argumenten in het politieke debat, maar je kunt de facto nu eenmaal niemand verplichten om alleen ‘redelijke opvattingen’ naar voren te brengen. Je kunt daar natuurlijk wel met grote hardnekkigheid naar blijven vragen.

‘Neutraliteit als keuze’ is het opschrift van Erwtemans stukje. Die gedachte vind ik in zijn beschouwing niet uitgebreid uitgewerkt, maar, schreef ik al in mijn vorige stukje, ‘soms kan de overheid er ook bewust voor kiezen om geen keuze te maken.’ Over het hoe en wanneer kan men vervolgens een uitgebreide boom opzetten, maar juist als je het over zo'n bewuste politieke, waardebepaalde keuze voor neutraliteit in een bepaald opzicht hebt, geef je daarmee al aan dat de overheid als zodanig niet neutraal is, waarmee in feite het punt uit mijn vorige stukje gemaakt is. Kortom, ik geloof dat Erwteman mijn opmerkingen op dit punt niet weerlegd heeft, maar het in feite wel over andere zinvolle zaken heeft, waar ik waarschijnlijk in hoge – en anders wel zekere – mate mee kan instemmen.

Ondertussen blijft staan dat recht en beleid per definitie waardebepaald zijn. Onze wetboeken barsten van de waarden. Soms zitten ze er expliciet in, soms spelen ze ook meer op de achtergrond. Over elke wet is een keer gestemd in de Staten-Generaal en bij vele wetten en wetsartikelen waren er niet alleen voorstanders, maar ook tegenstanders. Voor politici en kiezers is dat waar het om gaat, voor juristen is dat minder van belang. Alleen rechtsfilosofen als G.E. Langemeijer schrijven boekjes als De gerechtigheid in ons burgerlijk vermogensrecht (Zwolle, Tjeenk Willink, zes drukken tussen 1976 en 1994). Maar voor de gemiddelde jurist dienen wetgeving en recht zich aan als een verschijnsel waar hooguit een beetje aan bijgebogen kan worden. Voor hem spelen de discussies zich inderdaad af 'binnen het recht', zoals Erwteman een keer opmerkt, maar als het over politiek gaat, is dat niet juist zo: dan gaat het om wat recht is, over rechtsvorming. Wie rechter wordt, accepteert al die geïncorporeerde waarden als gegeven. Daarom is het ook niet zo verwonderlijk dat rechters naar verluid vooral in het midden van het politieke spectrum zitten. Ambtenaren vertegenwoordigen waarschijnlijk een breder spectrum.

 -

Blijft over wat ik gemakshalve formele neutraliteit genoemd heb. Neutraliteit is altijd een relatief, contextueel begrip. Er ligt op zijn minst een onderscheid voor – tussen mannelijk en vrouwelijk bijvoorbeeld zoals in de taal – en vaak gaat het om een strijd – zoals bij een oorlog tussen twee staten. In het eerste geval komt neutraliteit in feite toch neer op een eigen positie tussen andere posities. De optie van uniformiteit die ik in mijn vorige stukje onderscheidde, lijkt daarop. Wat in het tweede geval neutraal genoemd wordt, is misschien niet zozeer een kwestie van onpartijdigheid als wel van afzijdigheid. Een staat die neutraal is in een conflict, kan best een oordeel hebben over de schuldige, maar houdt dat meestal voor zich, omdat ze zichzelf buiten de strijd wil houden. Hiermee lijkt de optie van pluriformiteit enigszins overeen te komen.

Op dit punt verschilt Erwteman niet fundamenteel van mening. Ik gaf ook al aan dat het niet bij voorbaat vastligt, hoe je de grens tussen uniformiteit en pluriformiteit legt en beiden neigen we naar de ruimere, tweede optie. Ik zou op zijn minst zeggen dat die toleranter is, meer mensen ruimte biedt en daarom de voorkeur verdient..

Je kunt er ook nog over praten hoe je de uniformiteit in kleding zo vorm geeft dat meer mensen zich daarin kunnen vinden. Een politieagent met de tulband van een sikh is in Engeland niet ongewoon en ik geloof niet dat dat ’s mans gezag afbreuk doet. Of de Franse laïcité helemaal in deze uniforme lijn past, weet ik niet, misschien wel als het gaat om staatsdienaren en leraren, maar naar mijn idee weer niet als leerlingen van openbare scholen in een vast patroon gedwongen worden, hoe Frans dat wellicht ook is. De laïcité kan men waarschijnlijk zien als een moderne vorm van de oude staatskerkgedachte, maar ik zal dat nu niet verder uitwerken.

Maar ook bij erkenning van pluriformiteit zijn er grenzen. Een vrouw met een hoofddoekje achter een overheidsbalie is meestal geen probleem. Dat is een afspiegeling van de maatschappij. Maar hoe het is het met een ambtenaar in een djellaba? Zal van de situatie afhangen, denk ik. Hoe ging men jaren geleden om met Baghwan-aanhangers die in opzichtige oranje kleren op het werk kwamen? Een man die in een kort rokje wil lopen, zullen we toch niet helemaal serieus nemen. Wat aanvaardbaar is, hangt altijd af van wat maatschappelijk gangbaar is.

-

Hoe het ook zij, ik geloof dat het niet zo moeilijk is om staande te houden dat recht en beleid als zodanig per definitie niet neutraal zijn, terwijl we tegelijk inzake sommige thema’s neutraliteit bewust na kunnen streven – als keuze dus. En verder kan men in de toepassing van recht en uitvoering van beleid misschien wel over neutraliteit spreken onder voorwaarde dat men helder uitlegt wat men daar in een bepaalde context mee bedoelt. Geen materiële, wel formele neutraliteit.

Maar het gaat natuurlijk niet om de term, maar om de vraag wat men wil.

 .:.

De reactiemogelijkheid is gesloten