.:.
Laat ik met de feiten beginnen.
Vanmorgen publiceerden Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste een stuk in de Volkskrant, ‘De gelovige geniet te veel privileges’. Met een spelfout in de titel is het ook opgenomen op de website van de tweede. Zo begint het tweetal:
Vorige week onthulde GeenStijl dat minister Van Bijsterveldt toegeeft dat mensen die in Allah of God geloven 'gewetensbezwaard' mogen zijn bij het sluiten van een homohuwelijk. Alle anderen mogen dat niet. Merkwaardige discriminatie.
Klopt dat? Nee, natuurlijk niet. En het is ook niet zo moeilijk om dat even na te gaan. Op de beruchte scheld- en haatsite schreef ene Bert Brussen vorige week een stukje ‘Ministerie: 'Weigerambtenaar exclusief christelijk'.’ Een persoon die anoniem blijft, had vragen aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gesteld over de gronden waarop ambtenaren mogen weigeren een huwelijk te sluiten. En dan vervolgt het stukje:
En wat was het antwoord van de minister? "Neen, niet iedereen mag weigerambtenaar zijn. Alleen christenen hebben dat exclusieve recht". DISCRIMINATIE! Christenen worden voorgetrokken! De huwelijksopvattingen van hunnie zijn meer waard dan de opvattingen van zullie! Dit is dus niet eerlijker hè. Dit is een bordje op je juwelierszaak hangen met de mededeling: "Alleen welkom voor christenen". En dat bij een seculiere overheid. Bah.
Gelukkig is de brief van de plaatsvervangend secretaris-generaal bijgevoegd. Daarin staat alleen dat er in Nederland ruimte moet zijn voor gewetensbezwaarde ambtenaren:
De rijksoverheid kan gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand niet dwingen om mensen van hetzelfde geslacht te trouwen.
Dat is alles. Met geen woord wordt gesproken over de motieven van de gewetensbezwaarden. De samenvatting van de stukjesschrijver van GeenStijl is ongefundeerd en berust op slordig of kwaadwillend lezen. Onzin. Flauwekul. GeenStijl ‘onthulde’ helemaal niets. Punt uit. Duyvestijn en Kleinpaste laten hun verbeelding nog iets verder op hol slaan door God ook nog eens in het Arabisch te benoemen als Allah, waarmee ze dus de moslims toevoegen. Maar ook die worden echt niet in de brief van het ministerie genoemd. Pure fantasie dus. Maar de auteurs volharden in hun hardnekkige misverstand:
Een overheid die de term 'gewetensbezwaard' steeds als konijn uit de hoge hoed trekt voor een ambt dat iemand vrijwillig kiest, en deze uitzondering bovendien alleen toestaat voor godsvruchtige mensen, kan niet blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden.
Steeds? Daar zouden ze dan toch eens voorbeelden voor moeten geven. Een stuk of twintig, dertig lijken me voorlopig wel voldoende. Maar wat vooral opvalt, is hoe slordig de twee auteurs redeneren. In de rest van de zin doen ze twee beweringen:
(1) De overheid staat een bepaalde uitzondering alleen toe aan ‘godsvruchtige’ mensen.
(2) Door een bepaalde uitzondering toe te staan kan de overheid niet blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden.
(1)
De eerste bewering heb ik al gedeeltelijk bekeken. De brief van het ministerie repte nu in ieder geval met geen woord over een mogelijke overtuiging. Het enige wat telt, is dat ambtenaren gewetensbezwaren hebben om een bepaalde handeling uit te voeren. Het gaat dus in de eerste plaats om de handeling, om het doel, niet om de motieven voor weigeren.
Bij de behandeling van het voorstel om de wet open te stellen voor mensen van hetzelfde geslacht, schreef staatssecretaris Job Cohen in november 2000 in zijn Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer:
Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aan de orde geweest de positie van ambtenaren van de burgerlijke stand die ernstige gewetensbezwaren hebben tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht. Ik heb daarvoor praktische oplossingen voorgesteld met als uitgangspunt dat in iedere gemeente een huwelijk, ook een huwelijk van personen van hetzelfde geslacht, voltrokken moet kunnen worden. Ik heb mij hierover intussen verstaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB). Zij kunnen zich vinden in de praktische oplossingen die ik voorsta (zie Handelingen II 6 september 2000, p. 98–6393 en mijn brief van 14 november 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, kenmerk 5061 786/00/6). Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen hetero- en homoseksuele gewetensbezwaarde ambtenaren. Het gaat erom dat een ambtenaar van de burgerlijke stand, in het algemeen vanwege godsdienstige overtuigingen, ernstige gewetensbezwaren heeft tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht.
Hier zette Cohen de lijn uit, die nu nog steeds gevolgd wordt. Een ambtenaar van de burgerlijke stand die ernstige gewetensbezwaren heeft tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht, hoeft dat niet te doen, maar zo’n huwelijk moet wel in iedere gemeente voltrokken kunnen worden. Niemand wordt dus gediscrimineerd, want iedereen die daar om vraagt, ontvangt van iedere gemeente in Nederland dezelfde behandeling. Het enige is dat gemeenten in de interne organisatie rekening kunnen houden met de gewetensbezwaren van ambtenaren.
Er is nog iets. Cohen merkt op dat zulke ambtenaren ‘in het algemeen vanwege godsdienstige overtuigingen’ bepaalde bezwaren zullen hebben. In het algemeen: dat is iets anders dan uitsluitend. Het gaat om een praktische, feitelijke constatering, maar ze sluit niet uit dat iemand op basis van opvattingen die hij zelf niet religieus zou noemen, een beroep op gewetensbezwaren zou kunnen doen. Ook die mogelijkheid is er kennelijk.
Ik citeer nog even twee andere teksten. Allereerst is daar het Hoofdlijnenakkoord voor het kabinet CDA, VVD, D66 uit mei 2003. Daarin staat dit:
Overeenkomstig het destijds geformuleerde beleid brengt zorgvuldige omgang met gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand met zich dat in onderling overleg in plaats van de gewetensbezwaarde een andere ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voltrekt, mits in elke gemeente de voltrekking van een dergelijk huwelijk mogelijk blijft.
En in het Coalitieakkoord tussen de Tweede Kamerfracties van CDA, PvdA en ChristenUnie van februari 2007 vindt men deze passage:
Overeenkomstig het destijds geformuleerde beleid brengt zorgvuldige omgang met gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand met zich dat in onderling overleg in plaats van de gewetensbezwaarde een andere ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voltrekt, mits in elke gemeente de voltrekking van een dergelijk huwelijk mogelijk blijft. Mochten er in de gemeentelijke praktijk problemen ontstaan, dan zullen initiatieven worden genomen om de rechtszekerheid van gewetensbezwaarde ambtenaren veilig te stellen.
In geen van deze teksten wordt over de motieven gerept. Er is geen enkele sprake van dat de overheid alleen aan ambtenaren met een (bepaalde) religieuze overtuiging een uitzondering toestaat. Het gaat erom dat ze bezwaren hebben tegen het uitvoeren van een bepaalde handeling. De motivering kan daarbij verschillend zijn. Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste vergissen zich feitelijk.
Daardoor is de rest van hun betoog op dit punt dan ook niet relevant. Ze komen met andere voorbeelden aan: over bezwaren tegen vertoon van excessieve rijkdom bij huwelijkskandidaten of bezwaren tegen hun levensovertuiging. Het verband is onhelder. Voor zover bekend hebben dergelijke bezwaren zich nooit in de praktijk voorgedaan. Ook de briefschrijver aan het ministerie heeft kennelijk naar dergelijke niet-bestaande situaties gevraagd. We zien hier wat we ook al in het debat over het verbod op onbedwelmd ritueel slachten zagen: dat men de aandacht probeert af te leiden door onzinnige voorbeelden te verzinnen. De filosoof Bas Haring bestond het toen zelfs om te zich af te vragen wat je moest doen als godsdienst voorschrijft ‘om koeien voor de slacht eerst ritueel in de bek te plassen’. De banaliteit spreekt boekdelen.
Hier is het gehalte van de voorbeelden niet veel beter. Het blijft onduidelijk wat het erkennen van een zeer bepaald gewetensbezwaar te maken heeft met het mogelijk erkennen van andere mogelijke gewetensbezwaren. Als die zich wel aandienen, zal daar eventueel afzonderlijk over gesproken kunnen worden.
(2)
Dan de implicatie die de auteurs menen te zien: door een bepaalde uitzondering toe te staan zou de overheid niet kunnen blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden.
In navolging van de stukjesmaker op GeenStijl, die iets over ‘verregaande overheidsdiscriminatie’ schreeuwt, reppen Duyvestijn en Kleinpaste al in hun eerste alinea over ‘discriminatie’. We hebben gezien dat die kwalificatie op een feitelijk misverstaan berust. Het is niet zo dat alleen van bepaalde mensen de gewetensbezwaren erkend worden, iedereen met gewetensbezwaren zal gelijk behandeld worden.
Maar ook de redenering dat door uitzonderingen toe te staan de overheid niet alle overtuigingen en mensen gelijkwaardig zou behandelen, is uiterst merkwaardig en ongerijmd. Er zijn mensen die kennelijk gewetensbezwaren hebben. Die worden erkend. Heeft dat iets met discriminatie te maken? Nou nee, zou ik zeggen, de gedachte ligt toch meer voor de hand dat als iemands gewetensbezwaren erkend worden, een mogelijke situatie van achterstelling waarin zo iemand anders zou kunnen belanden, opgeheven of voorkomen wordt. Rekening houden met mensen en met de verschillen tussen hen, ook in morele opvattingen en praktijken, is geen discriminatie van anderen, maar het kan wel een ongunstige situatie voor de betrokken voorkomen. Het gaat eerder om het voorkomen van discriminatie.
Het gaat ook helemaal niet om een privilege, zoals de auteurs ten onrechte denken. Een privilege betekent dat iemand iets mag dat anderen ook graag zouden willen. Maar ambtenaren die met plezier een homohuwelijk sluiten, vragen helemaal niet om de optie dat niet te hoeven doen. Als iemands gewetensbezwaren erkend worden, wordt tegemoet gekomen aan een wens van die persoon, maar anderen worden daar op geen enkele wijze door benadeeld. Het is heel moeilijk om te begrijpen waar de gedachte aan discriminatie vandaan komt. Alleen als je stiekem denkt dat het sluiten van een homohuwelijk eigenlijk toch een straf is, waar sommigen aan kunnen ontkomen, kun je van discriminatie spreken. Het verwijt maakt een nogal dubieuze indruk.
De stelling dat de gemeente Amsterdam zich inmiddels wel aan discriminatie schuldig maakt door zogenaamde weigerambtenaren geen functie meer te geven, ligt ondertussen meer voor de hand. Daarmee worden zulke personen in Amsterdam immers achtergesteld bij die in andere gemeenten. Als je vindt dat alle gemeenteambtenaren in Nederland gelijk behandeld horen te worden, is hier duidelijk sprake van discriminatie, maar je kunt mogelijk ook stellen dat gemeenten nu eenmaal verschillende richtlijnen kunnen volgen. Amsterdam is dan gewoon wat minder tolerant dan Urk, zullen we maar zeggen.
*
Zowel feitelijk als argumentatief schiet het stuk van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste op dit punt – weigerambtenaren en het homohuwelijk – tekort. De verklaring moet kennelijk gezocht worden in hun obsessie met de godsgedachte, waar ze in hun publicaties herhaaldelijk op terugkomen. Bij het twitteren valt het me vaak op dat gelovigen nauwelijks over God spreken, maar dat zelfverklaarde atheïsten en seculieren – sommige, niet alle uiteraard – het voortdurend over God hebben. Het is een idee dat sommigen kennelijk zeer intensief bezighoudt en dat zie je ook aan het stuk van het duo. Zo schrijven ze:
Vaak hoort men dan het argument dat God ‘nu eenmaal belangrijk is voor mensen’.
Volgens mij hoor je dat argument zelden of nooit. Wat je wel hoort, is dat godsdienst belangrijk is voor mensen en dat is dus iets heel anders: het gaat dan om een sociale praktijk.
Op de rest van hun betoog, dat eigenlijk over een heel ander thema gaat, ga ik nu niet in. Ieder die het leest, zal zien dat het een enorme angst voor vrijheid uitstraalt, de vrijheid van anderen. Het is vooral een antiliberaal stuk. Met tolerantie, vrijheid en gelijkheid hebben de heren het nogal moeilijk, maar daarover moeten we het misschien later nog maar eens hebben.
*
Eén vraag heb ik nog laten liggen: wat vind ik hier nu zelf van? Het is uiteraard duidelijk dat wie bepaalde gewetensbezwaren erkent, toleranter is dan wie dat niet doet. Maar ook bij verdraagzaamheid zul je je elke keer af moeten vragen wat je precies wilt tolereren. Ik beperk me tot een enkele opmerking.
Naar mijn idee had de overheid het huwelijk zakelijk als een juridische transactie moeten (blijven) behandelen. Een huwelijkssluiting had een zakelijke lokethandeling dienen te zijn: twee mensen, twee getuigen en verder niemand erbij. Enkele formulieren invullen en meer niet. Geen toespraken, geen plechtige kledij, geen bijzondere ambiance, niets feestelijks. In dat geval zou ook geen ambtenbaar een reden hebben om niet gewoon zijn werk uit te voeren.
Maar de overheid treedt nu op als evenementenbureau; het is een term die ik met toestemming overgenomen heb van een goede vriend van me. Op de raarste plaatsen kun je trouwen, tot op het strand toe, hele plechtigheden worden ervan gemaakt en grote groepen mensen zijn aanwezig. De overheid begeeft zich op de markt van rituelen en symbolen. Sommige ambtenaren van de burgerlijke stand dragen ook de meest uitbundige gewaden. Kortom, de overheid maakt van huwelijkssluitingen een soort religieuze plechtigheid. En in dat geval kun je van ambtenaren niet vragen dat ze doen alsof ze iets leuk vinden, terwijl ze ondertussen iets anders denken. En wie vindt het nou aangenaam om door iemand in de echt verbonden te worden die daar zelf niet met zijn hart bij betrokken is?
Als de overheid zich dan toch op de markt van pseudoreligieuze handelingen begeeft, dan moet ze ook een beetje soepel zijn in het bij elkaar brengen van vragers en uitvoerders. Niet voor niets zijn er veel buitengewone ambtenaren van de burgerlijk stand. De primaire vraag is dan ook niet of een ambtenaar iets mag weigeren, maar of ambtenaar en huwelijksstel een beetje bij elkaar passen. In de gegeven omstandigheden – die wat mij betreft niet deugen – is dat een vraagstuk waar zo praktisch mogelijk mee om moet worden gegaan. Geef mensen de gelegenheid om iemand uit te zoeken die bij hen past en affiniteit heeft met hun levensinstelling.
*
Het artikel van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste past in de angstige, onverdraagzame trend die de laatste jaar en vogue is. Oei, oei, als een ander toch ook maar iets gedaan krijgt, dat wij niet eens willen. Nee, waarom zou je een ander ook iets gunnen als je hem ook het leven zuur kunt maken?
Het is de intolerante trend waarin iedereen onder het juk van een strenge eenheidsmoraal door zal moeten. Bekrompenheid viert hoogtij. Ik heb het meer op vrijheid.
Maar ja, dat is wel erg ouderwets, dat besef ik ook wel.
.:.
Dank! Voor solide betoog. Bemoedigend.
Ik blijf het moeilijk vinden dat mensen in overheidsdienst werk, voortvloeiend uit zaken die bij wet zijn geregeld,al dan niet op grond van geloofsovertuiging, kunnen weigeren. Echter zo’n gedegen en helder stuk over deze materie, ben ik nog nergens tegen gekomen. Het is waar wat de schrijver zegt; niemand wordt benadeeld en daar gaat het uiteindelijk om. Hulde voor de schrijver !
Geweldig stuk en argumentatie zeer helder en goed te volgen. Oftewel “wat logisch eigenlijk’!
Kortom: homo’s mogen best anders behandeld worden, dat is de basis van uw zeer lange stuk waarin u dat probeert goed te praten. Heel erg CDA.
‘Het artikel van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste past in de angstige, onverdraagzame trend die de laatste jaar en vogue is. Oei, oei, als een ander toch ook maar iets gedaan krijgt, dat wij niet eens willen. Nee, waarom zou je een ander ook iets gunnen als je hem ook het leven zuur kunt maken?’
Wat een bizarre omkering. Dit geldt juist voor de weigerambtenaren en de vele CDA-ers die moeite hebben met het gelijkheidsbeginsel. U verzint er van alles bij maar zo ingewikkeld is het echt niet hoor. Gewoon zorgen dat mensen hun werk doen!
TOTAAL niet mee eens. Behalve die opmerking dat onze overheid zich leent als evenementenbureau dan!
Hoewel deze observatie in mijn ogen absoluut geen excuus/vrijgeleide voor het fenomeen weigerambtenaren mag zijn, is het wel iets om eens over na te denken…
Waar het ten principale om gaat is dat bij ruimte voor gewetensbezwaren bij het sluiten van huwelijken, er naar mijn mening onnodig ruimte wordt gegeven aan een ambtenaar om een (reguliere) wettelijke taak van de gemeente niet uit te voeren. Geven we een ambtenaar die bouwvergunningen afgeeft ook de ruimte om te besluiten aan wie zij/hij geen vergunning afgeeft (om welk gewetensbezwaar dan ook)? Een ambtenaar met gewetensbezwaar kan toch gewoon ander werk zoeken?
Een goede analyse, Jan Dirk.
Gewetensbezwaren komen uiteraard voort uit persoonlijke beweegredenen, meestal het geloof. Maar ook misschien uit principe. Of het ethisch verantwoord is, is maar de vraag, maar dat het moet kunnen is voor mij een duidelijke zaak.
In Nederland is het nu eenmaal toegestaan om een religie te volgen, en soms zijn dit soort gewetensbezwaren een bijbehorend effect, een feit dus. Men moet niet gaan mekkeren als een gelovige principiële bezwaren heeft bij het voltrekken van een homo-huwelijk. Bovendien is het toch ook niet het meest leuke voor de homo-echtpaar als er een ongezellige, zure reli-fanaat voor ze staat en als een robot de ceremonie voltrekt. Laat ze toch liever iemand krijgen die het met grote liefde doet. Misschien een homo-ambtenaar. Dan zit je geheid goed.
OK, we betalen die ambtenaren met belastingcenten, maar ook religieuze mensen die de ambtenaars principes steunen betalen belasting.
Het zou leuker zijn als iedereen homo’s accepteert en dat er geen discriminatie meer is. Maar we kunnen moeilijk religie afschaffen (ongeacht hoe graag mensen/atheisten dat zouden willen). Dus we moeten af en toe wel op de blaren zitten.
Rest mij nog te zeggen dat er veel te zeggen is voor het verongelijkte gevoel van homo’s, ze zijn ten slotte ook normale mensen die normale rechten hebben. Maar die reli-fanaten zijn ook mensen, en ik durft te stellen dat zij niet handelen uit (homo)haat, maar uit principes.
Daarom denk ik dat het maar goed is dat er een oplossing is in de vorm van het vinden van een ambtenaar die wel de ceremonie wil voltrekken.
Bedenkelijk stuk. De overheid dient signaal van gelijke behandeling af te geven. Vrijheid heeft daarmee grenzen.
Beroep op vrijheid mag geen grond voor discriminatie zijn. Een trouwambtenaar hoort de taak uit te voeren waarvoor hij of zij wordt betaald en die bestaat uit het trouwen van mensen. Een potentiele weigerambtenaar heeft de vrijheid om een baan te zoeken die hem aanstaat. Niet de zaken omdraaien dus!
Prima artikel! Het zet de gewetensbezwaarde ambtenaren in een ander daglicht.
Om te beginnen: Het is een interessant artikel. Het laat de mankementen van het betoog van Duijvestijn en Kleinpaste zien en geeft ook een aanwijzing over hoe de overheid de huwelijkssluiting zou moeten behandelen. De reacties hieronder zijn misschien nog wel interessanter, want zeer veelzeggend. Het lijkt erop dat niet iedereen goed kan lezen. Hier bijvoorbeeld: “Kortom: homo’s mogen best anders behandeld worden, dat is de basis van uw zeer lange stuk waarin u dat probeert goed te praten.”
Dat is juist uitgebreid uitgelegd in het artikel, dat in iedere gemeente homo’s mogen trouwen. Er is dus geen sprake van dat de overheid discrimineert, want homoseksuelen hebben gelijke rechten in iedere plaats. ‘Weigerambtenaren’ maken dus ook niemand het leven zuur, tenminste, zoals het nu is, is er geen aanleiding om dat te denken, want de huwelijksvoltrekking kan normaal plaatsvinden, zonder enige problemen.
Een andere: “Geven we een ambtenaar die bouwvergunningen afgeeft ook de ruimte om te besluiten aan wie zij/hij geen vergunning afgeeft (om welk gewetensbezwaar dan ook)?”
Om te beginnen gaat deze vraag niet op de materie in. Het gaat er niet om dat een ‘weigerambtenaar’ iemand uitsluit van het huwelijk, zoals een ambtenaar iemands aanvraag voor een bouwvergunning zou kunnen weigeren. Een ambtenaar kan wel besluiten de aanvraag van een bouwvergunning door een andere ambtenaar te laten behandelen vanwege persoonlijke betrokkenheid. Dat noemen we dan: precies, gewetensbezwaar. Gewetensbezwaar kan van alles zijn, er is daar geen norm voor en het geldt zeker niet alleen voor religieuze bezwaren. Ambtenaren kunnen praktisch altijd tegen situaties aanlopen waarin zij gewetensbezwaren hebben en in dat soort gevallen is het nodig om onderling een oplossing te verzinnen. Bij het homohuwelijk is dat toevallig zelfs wettelijk geregeld. Waarschijnlijk is dat zo (maar dat is een tikkeltje speculatie van mijn kant) omdat het juist hier weleens in het nauw zou kunnen komen. Die telkens terugkerende discussie hierover bevestigd mijn gelijk in mijn ogen.
De mooiste vind ik nog wel deze: “Bedenkelijk stuk. De overheid dient signaal van gelijke behandeling af te geven.”
Waar ik lang gedacht heb dat de overheid neutraal dient te zijn, moet de overheid nu ‘een signaal gaan afgeven’. En wel een signaal van gelijke behandeling. En dat signaal moet dan gegeven worden door mensen niet gelijk te behandelen en het recht op gewetensbezwaar, waar ambtenaren op allerlei manieren last van kunnen hebben, af te nemen. Ik snap het niet meer. Misschien begrijp jij het nog wel @Jan Dirk Snel, voor mij wordt het hier te ingewikkeld.
Door te zeggen dat ‘weigerambtenaren’ maar een andere baan moeten zoeken doet ook geen recht aan principiële- en gewetensbezwaren die mensen kunnen hebben. Een gewetensbezwaar is iets heel anders dan werkweigering. Als iemand weigert bijvoorbeeld vies werk te doen, is dat iets heel anders dan wanneer iemand een bepaald aspect van het werk vanwege gewetensbezwaren niet wenst te doen. Bij het eerste moet zo iemand een andere baan gaan zoeken, bij het tweede is enige coulance vanuit de werkgever en de collega’s uit op zijn plaats. Wie het verschil tussen beide niet ziet, lijkt mij kortzichtig. Terwijl er zoveel reden is om samen te leven in deze samenleving en elkaar de ruimte te bieden. Het is zoveel mooier om verschillen te respecteren en elkaars opvattingen en (vreemde) gewoontes en tradities te verdragen.
Aangezien blijkbaar veel mensen menen hier met een goed beargumenteerd stuk te maken te hebben, zal ik dan toch maar even wat meer tekst besteden aan het ontkrachten van deze jammerlijke misvatting.
Je begint je uitgebreide vertoog met een verwijzing naar de brief van de plv. SG, waarin alleen zou staan “dat er in Nederland ruimte moet zijn voor gewetensbezwaarde ambtenaren: De rijksoverheid kan gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand niet dwingen om mensen van hetzelfde geslacht te trouwen”. Je vat je argument nog eens krachtig samen in drie woorden “dat is alles”, en herhaalt ten laatste male dat “met geen woord wordt gesproken over de motieven van de gewetensbezwaarden”. Pardon?!
De plv. SG stelt letterlijk in haar brief dat “In het geval een dergelijke situatie [waarin ambtenaren vanuit andere geloofs- of levensovertuiging zouden willen weigeren een huwelijk te voltrekken tussen bijvoorbeeld een blanke en een kleurling, of een jood en een niet-jood] zich onverhoopt zou voordoen, kunnen ambtenaren van de burgerlijke stand GEEN beroep op gewetensbezwaren doen”. Om de boodschap van deze zin te vatten heb je geen opleiding filosofie nodig, maar volstaat enkele basisschoollessen begrijpend lezen: deze Minister bepaald wel even welke levensbeschouwelijke argumenten al dan niet een legitieme grond vormen voor gewetensbezwaar, en blijkbaar is hier geen ruimte voor niet-christelijke levensbeschouwingen gezien de in de brief genoemde voorbeelden.
Vervolgens volhardt je in je fanatieke houvast aan het ‘geschreven woord’, en deins je er schijnbaar voor terug om tussen de regels door te lezen, wanneer je stelt dat “Duyvestijn en Kleinpaste laten hun verbeelding nog iets verder op hol slaan door God ook nog eens in het Arabisch te benoemen als Allah, waarmee ze dus de moslims toevoegen. Maar ook die worden echt niet in de brief van het ministerie genoemd. Pure fantasie dus”. Beste Jan Dirk, leer nou alsjeblieft eens goed te lezen. De zin waarin Thijs en Marcel Allah erbij halen verwijst op geen enkele wijze naar de brief van de plv. SG, maar betreft een oproep om in de Nederlandse wet “recht te doen aan alle opvattingen”.
Wanneer het gaat om het “steeds” uit de hoge hoed trekken van gewetensbezwaarden vraag je naar een aantal voorbeelden. “Een stuk of twintig, dertig lijken me voorlopig wel voldoende” voeg je hier polemisch aan toe. Mijn eveneens polemische repliek is dan: mogen het er ook 105 zijn (http://www.coc.nl/dopage.pl?thema=any&pagina=algemeen&algemeen_id=407)?
Zonder enige terughoudendheid ga je verder met je drogredeneringen en presentatie van feitelijke onjuistheden. “Het enige wat telt, is dat ambtenaren gewetensbezwaren hebben om een bepaalde handeling uit te voeren. Het gaat dus in de eerste plaats om de handeling, om het doel, niet om de motieven voor weigeren”. Wederom: pardon?!? Deze contradictio in terminis bijt de lezer van je stuk letterlijk in zijn neus! Het concept van gewetensbezwaar impliceert onlosmakelijk een centraal-stelling van motieven. De wet schrijft ten aanzien van de handeling voor dat partners van het zelfde geslacht in aanmerking komen voor het burgerlijk huwelijk, maar omwille van gewetensbezwaren (a.k.a. levensbeschouwelijke motieven) kan hier t.a.v. trouwambtenaren een uitzondering op worden gemaakt.
Na een onnodig citaat van Cohen stel je ook nog eens dat “Niemand wordt dus gediscrimineerd, want iedereen die daar om vraagt, ontvangt van iedere gemeente in Nederland dezelfde behandeling”. Ten derde male: leer nu eens goed lezen. Tijs en Marcel stellen in hun opniestuk nergens dat trouwambtenaren discrimineren (waarmee niet gezegd is dat ze dat niet doen), maar dat de overheid zelf discrimineert in haar beleid ten aanzien van trouwambtenaren. Vervolgens haal je wel een relevant citaat aan van Cohen, wanneer je stelt dat “Cohen merkt op dat zulke ambtenaren ‘in het algemeen vanwege godsdienstige overtuigingen’ bepaalde bezwaren zullen hebben. In het algemeen: dat is iets anders dan uitsluitend. Het gaat om een praktische, feitelijke constatering, maar ze sluit niet uit dat iemand op basis van opvattingen die hij zelf niet religieus zou noemen, een beroep op gewetensbezwaren zou kunnen doen. Ook die mogelijkheid is er kennelijk”. Hier raak je precies aan de kern van deze discussie. Ten eerste weer even een zoveelste leesfoutje van je rechtzetten: Mr. Cohen heeft het over “in het algemeen vanwege GODSDIENSTIGE OVERTUIGINGEN”; een meer expliciete diskwalificatie van seculiere overtuigingen bestaat volgens mij niet! Maar zelfs in jou meest gunstige interpretatie kom je hier niet mee weg. Waar ons Kabinet bij monde van een voormalig Staatsecretaris in jou interpretatie stelt dat een beroep op gewetensbezwaar “op basis van opvattingen die hij zelf niet religieus zou noemen” er ‘kennelijk’ ook is, laat de brief van plv. SG zien dat wanneer hier concreet op wordt doorgevraagd ten aanzien van bijv. het traditioneel jodendom, of de levensbeschouwing volgens ‘white supremacy’ deze ruimte er niet is. Je zou het dan toch op zijn minst met me eens moeten zijn dat het huidige Kabinet niet thuis geeft ten aanzien van eerder gemaakte toezeggingen.
In een zoveelste onproductieve gedachtekronkel citeer je ook nog eens uit twee coalitie-teksten uit 2003 en 2007. Wederom claim je hier dat nergens over motieven wordt gesproken. Met vier verwijzingen in drie zinnen naar “gewetensbezwaar” verwijs ik zelf gemakshalve naar mijn eerder genoemde kritiek van “contradictio in terminis”; gewetensbezwaar impliceert een beroep op levensbeschouwelijke motieven. Niks “feitelijke vergissing” van Thijs en Marcel dus, maar een drogredenering van Jan Dirk!
In je volgende alinea, je volgende denkfout. Ten aanzien van enkele door Thijs en Marcel genoemde voorbeelden stel je dat “voor zover bekend hebben dergelijke bezwaren zich nooit in de praktijk voorgedaan. Ook de briefschrijver aan het ministerie heeft kennelijk naar dergelijke niet-bestaande situaties gevraagd”. Ten eerste, ik durf niet te stellen dat dergelijke situaties zich nooit hebben voorgedaan. Ik weet er van geen , maar dat wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Ten tweede, het principe wordt hier aan de kaak gesteld: indien er zich nu of in de toekomst een situatie voordoet waarin een ambtenaar op basis van levensbeschouwelijke argumenten een beroep wil doen op gewetensbezwaar in een situatie zijnde niet een homohuwelijk, mag hij dan op dezelfde steun rekenen van zijn overheid als de christelijke ambtenaar mag ten aanzien van het homohuwelijk. Ik zou hieraan toe willen voegen dat het juist van belang is om hier nu duidelijkheid over te hebben, zodat de Nederlandse ambtenaren hier nu duidelijkheid over hebben, en weten wat hun rechtspositie in dezen is.
Even verderop stel je vervolgens dat “Het blijft onduidelijk wat het erkennen van een zeer bepaald gewetensbezwaar te maken heeft met het mogelijk erkennen van andere mogelijke gewetensbezwaren. Als die zich wel aandienen, zal daar eventueel afzonderlijk over gesproken kunnen worden”. Ik kan je vraag niet anders lezen dan een billijking van het standpunt van de plv. SG dat de overheid zich gemachtigd voelt om te bepalen welk levensbeschouwelijk argument wel of geen legitiem argument is voor gewetensbezwaar. Prima als dat je opvatting is, maar zolang artikel 6 van onze Grondwet niet geschrapt is hoop je dat je het mij (en Thijs en Marcel, en vele anderen) niet kwalijk neemt dat wij ons tegen jouw opvatting ten stelligste blijven verzetten.
Nieuwe alinea, nieuwe fout. “Het is niet zo dat alleen van bepaalde mensen de gewetensbezwaren erkend worden, iedereen met gewetensbezwaren zal gelijk behandeld worden”. Dit klinkt me een beetje in de oren als de Irakese Minister van Informatie die stellig volhield “there are no tanks in Bagdad!”. Beste Jan Dirk: ‘wake up and smell the bullshit’! Dit is precies het tegenovergestelde van wat plv. SG in haar brief stelt.
Verder, “Maar ook de redenering dat door uitzonderingen toe te staan de overheid niet alle overtuigingen en mensen gelijkwaardig zou behandelen, is uiterst merkwaardig en ongerijmd”. Wederom: lees artikel 6 van de Nederlandse grondwet eens goed door.
Op het eind van je stuk lijk je inmiddels echt slordig te worden. Hier stel je dat “Een privilege betekent dat iemand iets mag dat anderen ook graag zouden willen. Maar ambtenaren die met plezier een homohuwelijk sluiten, vragen helemaal niet om de optie dat niet te hoeven doen”. Beste. Jan. Dirk. Neem. Alsjeblieft. Een. Cursus. Begrijpend. Lezen.! Het soort van privileges waarnaar Thijs en Marcel verwijzen betreft het algemene ‘privilege’ om als ambtenaar een beroep te kunnen doen op gewetensbezwaar betreffende bepaalde verplichtingen die normaliter aan het ambtenaarschap gekoppeld zijn. Hier wordt NIET bedoeld het concrete ‘privilege’ om specifiek homohuwelijken te weigeren.
Even als tussendoortje, maar het moet mij echt van het hart dat ik nog geen alinea kan lezen van je tekst zonder weer een feitelijke onjuistheid, drogredenering of verwrongen interpretatie tegen te komen. Zeer vermoeiend. Mijn tip voor de korte termijn: gebruik minder tekst, dan maak je in ieder geval minder fouten.
Aan de andere kant doet het mij bijzonder deugd dat de tegenstanders van Thijs en Marcel in dit debat niet zonder dergelijke trucs kunnen om in ieder geval de schijn van een degelijk en samenhangend betoog hoog te houden.
Op de meeste reacties hieronder hoef ik naar mijn idee niet in te gaan. Voor zover ze om een reactie vragen, meen ik die gegeven te hebben in mijn nieuwe stukje op mijn weblog ‘Homohuwelijk en weigerambtenaren – Nog vier opmerkingen’. De lange reactie van Joost bevat echter zoveel elementen dat een afzonderlijke reactie hier op zijn plaats lijkt.
[1] Joost meent dat de minister ‘wel even’ bepaalt ‘welke levensbeschouwelijke argumenten al dan niet een legitieme grond vormen voor gewetensbezwaar, en blijkbaar is hier geen ruimte voor niet-christelijke levensbeschouwingen gezien de in de brief genoemde voorbeelden.’ Waar gaat het daarover? Over wat er in de derde alinea van de brief van het ministerie staat. Daar gaat het over de vraag van de anonieme briefschrijver of bezwaren tegen het sluiten van huwelijken tussen ‘bijvoorbeeld blanken met kleurlingen of joden met niet-joden’ erkend zouden worden. Het gaat hier dus om een zeer bepaald geformuleerd bezwaar, tegen huwelijken met verschillende etnische of religieuze achtergronden en het antwoord is nee. De ministeriële antwoordbriefschrijver meent dat er voor zover bekend geen enkele godsdienst is waarmee dergelijke verbintenissen op gespannen voet staan. De vraag lijkt dus imaginair te zijn. Maar mocht zo’n religie er wel zijn, dan worden dergelijke bezwaren nog niet erkend. Op geen enkele wijze maakt de brief hier onderscheid tussen verschillende godsdiensten. Dergelijke bezwaren worden gewoon niet erkend en het maakt dan niet uit waar men zich op beroept. Ik ben het met Joost eens dat om de zin te snappen geen opleiding filosofie nodig is, want elke normaal mens zou kunnen zien dat zijn specifieke conclusie dat hier ‘geen ruimte voor niet-christelijke levensbeschouwingen’ is, flauwekul is. Ook als iemand dergelijke bezwaren wel op een christelijke levensbeschouwing zou baseren, zouden ze niet erkend worden. Ze worden immers nooit erkend.
Als Joost dan ook verderop schrijft dat ik ‘het standpunt van de plv. SG’ zou billijken ‘dat de overheid zich gemachtigd voelt om te bepalen welk levensbeschouwelijk argument wel of geen legitiem argument is voor gewetensbezwaar’, berust dat op een onjuiste interpretatie van de brief. Bezwaren tegen een bepaalde handeling worden erkend, tegen een andere niet, op geen enkel levensbeschouwelijke grond. De overheid bepaalt op dat punt dus helemaal niets in die zin die hij bedoelt.
Ook schrijft Joost ergens dat ‘de brief van plv. SG zien dat wanneer hier concreet op wordt doorgevraagd ten aanzien van bijv. het traditioneel jodendom, of de levensbeschouwing volgens ‘white supremacy’ deze ruimte er niet is.’ Het is onduidelijk wat hij hier mee bedoelt. De brief gaat in op bezwaren tegen het sluiten van bepaalde huwelijken. Over de inhoud van die bezwaren – de motieven, de achtergrond van waaruit die komen, de levensbeschouwing – zegt de brief helemaal niets. Welke die ook is, ze is niet relevant, omdat zulke bezwaren niet erkend worden.
Als ik opmerk dat iedereen met gewetensbezwaren gelijk behandeld zal worden, en als Joost daarop beweert dat dat het ‘tegenovergestelde van wat plv. SG in haar brief stelt’ is, laat hij dan ook na bewijs te leveren. Het is er namelijk niet.
[2] Ook bij mijn opmerking over Allah vergist Joost zich. Hij meent dat de ‘zin waarin Thijs en Marcel Allah erbij halen[…] op geen enkele wijze naar de brief van de plv. SG’ verwijst, maar ‘een oproep om in de Nederlandse wet “recht te doen aan alle opvattingen”’ betreft. Joost verwijst daarmee naar het slot van het artikel. Het is daarentegen volstrekt duidelijk dat ik verwijs naar de aanhaling van Allah in de eerste zin van het artikel van Duyvestijn en Kleinpaste. Ik heb die nota bene geciteerd. De oproep ‘leer nou alsjeblieft eens goed te lezen’, lijkt hier nuttiger voor Joost dan voor mij.
[3] Als ik vraag om het geven van voorbeelden dat de overheid ‘steeds de term ‘gewetensbezwaard’ uit de hoge hoed zou trekken, doel ik uiteraard op verschillende gevallen, op bezwaren van onderscheiden aard. Joost heeft het over 105 voorbeelden, maar hij verwijst dan alleen naar 105 zogenaamde ‘weigerambtenaren’. Het is helder dat het één soort bezwaar betreft, tegen één welomschreven handeling. Erg flauw.
[4] Joost meent dat als ik schrijf over de bezwaren van ambtenaren om een ‘bepaalde’ handeling uit te voeren een daarbij opmerk dat het in eerste plaats gaat om ‘de handeling, om het doel, niet om de motieven voor weigeren’, dat een ‘contradictio in terminis’ is die de lezer van mijn stuk ‘letterlijk in zijn neus’ bijt. Uiteraard is het zo dat als iemand een concreet bezwaar tegen een behandeling heeft, hij daar gronden of motieven voor zal hebben. Het hele punt is echter dat in de brief over die motieven helemaal nergens gesproken wordt. Dat geldt ook voor wat Joost de ‘twee coalitie-teksten uit 2003 en 2007’ noemt, waarin hij ‘vier verwijzingen in drie zinnen naar “gewetensbezwaar”’ telt (zelf tel ik trouwens vijf keer ‘gewetensbezwaarde’). Uiteraard impliceert gewetensbezwaar ‘een beroep op levensbeschouwelijke motieven’ of althans zoiets, maar die worden daar verder nergens genoemd. We kennen ze niet. Het enige dat we weten, is om welke bezwaren tegen welke handeling het gaat. Het gaat om die ene handeling, niet om ander handelingen. Als Duyvestijn en Kleinpaste dus doen alsof die motieven wel genoemd worden, dan vergissen ze zich dus.
[5] Als ik het citaat van Job Cohen interpreteer en dan opmerk: ‘Niemand wordt dus gediscrimineerd’, leg ik de voorgaande zin uit. Nergens beweer ik daar dat Duyvestijn en Kleinpaste het tegendeel zouden beweren. De opmerking daar – ‘ten derden male’ – dat ik goed moet leren lezen, slaat de plank mis. Ik las de passage van Cohen echt wel goed.
[6] Volgend geval. Ik citeer Job Cohen als die schrijft dat als ambtenaren ‘ernstige gewetensbezwaren’ hebben ‘tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht’, ze die ‘in het algemeen vanwege godsdienstige overtuigingen’ zullen hebben. Joost meent een leesfout recht te moeten zetten, door die ‘godsdienstige overtuigingen’ nog eens in kapitalen te herhalen, maar ik had ze gewoon in mijn citaat genoemd. Maar hoe Joost over een feitelijke constatering kan zeggen dat ‘een meer expliciete diskwalificatie van seculiere overtuigingen’ volgens hem niet bestaat, is mij een raadsel. Cohen zegt helemaal niets negatiefs over seculiere overtuigingen.
[7] Joosts opmerkingen over artikel 6 van de Grondwet begrijp ik niet. Dat artikel geldt voor iedereen iedereen en een ieder heeft een gelijk recht om zijn levensovertuiging te belijden. Dat geldt voor atheïsten evengoed als voor shintoïsten.
[8] Joost schrijft: ‘Het soort van privileges waarnaar Thijs en Marcel verwijzen betreft het algemene ‘privilege’ om als ambtenaar een beroep te kunnen doen op gewetensbezwaar betreffende bepaalde verplichtingen die normaliter aan het ambtenaarschap gekoppeld zijn’. Eén keer gebruiken Duyvestijn en Kleinpaste in het stuk zelf het woord ‘privilege’ en dat is inderdaad in een wat algemenere zin, waar het gaat over ‘uitzonderingen en privileges van de ene groep boven de ander’. In de volgende zin hebben ze het over het ‘blijven voortrekken van gelovigen’ en dat lijkt een nadere uitwerking te zijn van wat ze onder ‘uitzonderingen en privileges’ verstaan. Maar ze hebben het woord ook zelf boven hun stukje gezet en ze beginnen met enkele zinnen waarin ze uitleggen dat bepaalde mensen – en in de eerste zin wordt evident gedoeld op ambtenaren van de burgerlijke stand – iets mogen wat ‘alle anderen’ niet zouden mogen. Het lijkt toch waarschijnlijk dat ze dit zien als het ‘voortrekken van gelovigen’, als een uiting van wat ze in de titel een privileges noemen. Maar hoe het ook zij: het valt niet in te zien waarom – ik citeer Joost – ‘het concrete ‘privilege’ om specifiek homohuwelijken te weigeren’ niet onder zijn algemene omschrijving van een privilege zou vallen. Het is ongetwijfeld juist dat Duyvestijn en Kleinpaste het in meer algemene zin over privileges hebben, maar niet valt in te zien waarom juist dit geval waar ze hun stuk mee openen, in hun ogen niet onder die omschrijving zou vallen.
*
[Tot slot] Joost heeft nogal wat op mij aan te merken.
Als ik hem mag geloven, kan ik ten eerste niet lezen: ‘Beste Jan Dirk, leer nou alsjeblieft eens goed te lezen.’ ‘Ten derde male: leer nu eens goed lezen.’ (Dat is trouwens de tweede keer; soms valt het mee.) ‘Beste. Jan. Dirk. Neem. Alsjeblieft. Een. Cursus. Begrijpend. Lezen.!’
En ik kan – tweede punt – ook al niet argumenteren, als ik Joost mag geloven: ‘Zonder enige terughoudendheid ga je verder met je drogredeneringen en presentatie van feitelijke onjuistheden.’ Ik bega het ‘zoveelste leesfoutje’ of de ‘zoveelste onproductieve gedachtekronkel’ of maak me schuldig aan een ‘drogredenering’ of mijn ‘volgende denkfout’. En tegen het eind moet het Joost nog eens van het hart dat hij ‘nog geen alinea’ van mijn tekst kan lezen ‘zonder weer een feitelijke onjuistheid, drogredenering of verwrongen interpretatie tegen te komen.’
En het is – derde punt – nog erger: ik kan kennelijk niet alleen niet lezen of denken, maar ik ben ook nog eens te kwader trouw, want ik bedien me van ‘trucs’.
Interessant, zou ik zeggen. Het is alleen jammer dat Joost geen enkele leesfout, drogredenering of truc weet aan te wijzen. Niets tegen grote woorden, maar ik zou Joost aan willen raden om bij een volgende gelegenheid ook het bewijs te leveren.
Ik geloof niet dat Joost het weet.
Wederom een gedegen stuk, waar ik het volledig mee eens ben. Het zogenaamde probleem van de weigerambtenaren is volledig buiten proporties geraakt: nuchter en feitelijk beschouwd is er niet eens een probleem. Voor zover mij bekend is er slechts eenmaal een homopaar geweigerd, en dan nog omdat het aanstaande paar bewust een ambtenaar had uitgekozen van wie ze wisten dat die bezwaar zou hebben.
Het enige wat zich tot nu toe heeft voorgedaan is dat diverse ambtenaren hebben gezegd dat ze bezwaren tegen een dergelijke huwelijkssluiting hebben. Welnu, zo lang het tot nog toe alleen daarbij is gebleven, lijkt me dat volledig onder de invididuele vrijheid van meningsuiting vallen.
Wat we echter zien is dat er een complete heksenjacht is ontstaan, waarbij bepaalde mensen en organisaties, als waren zij een zelfbenoemde inquisitie, ambtenaren van de burgelijke stand zijn gaan ondervragen over al dan niet aanwezige potentiele gewetensbezwaren. Ik vind het triest en ook beangstigend hoe in Amsterdam op verontwaardigde toon werd bekend gemaakt dat onder de ruim 400 trouwambtenaren 2 weigerachtigen waren aangetroffen.
Zoals vaker wanneer het gaat om homogerelateerde onderwerpen, ligt ook aan deze kwestie een onuitgesproken krampachtigheid en extreme prikkelbaarheid ten grondslag. Iedereen wordt geacht een juichend voorstander van het homohuwelijk te zijn – wie dat niet is, plaatst zichzelf onderhand buiten de maatschappelijke orde.
Opmerkelijk is dat deze opgedrongen homo-acceptatie wel voor het homohuwelijk geldt, maar niet voor andere uitingen die voorheen met homo’s geassocieerd worden: de Gay Pride, homohoreca of de stereotype extravagante, vrouwelijke houding van de nodige homomannen (“nichten”) zijn dingen waar met name homo’s zelf vaak een onverholen afkeer van tonen.
Het homohuwelijk onderscheidt zich daarvan doordat het de tot nu toe meest vergaande assimilatie met de heersende hetero-normen vormt. Ik denk dan ook dat de verkramptheid waarmee het homohuwelijk verdedigd wordt, eigenlijk een verdediging is van die assimilatie aan de meerderheidscultuur: “homo’s zijn ook normale mensen”.
Wie bezwaren heeft tegen een homohuwelijk zou dan eigenlijk zeggen: jullie komen niet in aanmerking voor een huwelijk, want jullie homo’s zijn geen normale mensen.
Sommige mensen (zowel sommige gelovigen als sommige ongelovigen!) zullen ongetwijfeld zo denken, maar dan gaat het er juist om een echt alternatief tegenover die denkwijze te zetten: niet een normale meerderheid versus een abnormale minderheid, maar een denkwijze die de verschillen in een samenleving op een neutrale, positieve wijze waardeert. Dus andere samenlevingsvormen net zo accepteert en waardeert als een monogaam heteroseksueel huwelijk. Zodat mensen geaccepteerd en gewaardeerd worden ongeacht de manier waarop ze (samen)leven. Zodat homo’s zich niet gedwongen hoeven te voelen om zich zoveel mogelijk als een hetero te gedragen om sociaal geaccepteerd te worden.
Beste PaulHUzzz,
Zeer bedankt voor je waardevolle reactie. Ik hoop dat je dit nog eens uitwerkt tot een eigen beschouwing. Wat je hier zegt, is de moeite waard.
Ik voel wel mee met het idee dat een overheid soepel en pragmatisch zou moeten omgaan met bezwaren van ambtenaren die moeite hebben met een specifieke taak uit hun functiepakket. Bijvoorbeeld een trouwambtenaar die vindt dat sommige stellen wel, maar andere stellen niet in de echt mogen worden verbonden. Als er een pragmatische oplossing te vinden is, waarom moeten mensen dan per se iets door hun strot geduwd krijgen? Waarom geen tolerantie, leven en laten leven? Iemand die weet dat een individuele ambtenaar zijn of haar relatie nu eenmaal niet wenst te respecteren, die kan daar toch gewoon begrip voor opbrengen en zeggen: ach, als iemand anders het dan maar doet? Iedereen blij. Zoals Jan Dirk Snel zelf ook zegt: je wílt toch niet eens getrouwd worden door zo’n ambtenaar? Sterk argument! Je wilt als moslim toch ook geen huis huren van een PVV-stemmende huisbaas, of als vrouw je baan behouden wanneer je nieuwe baas denkt dat vrouwen toch alleen goed zijn voor één ding? Waarom over dat soort kwesties nou zo’n prinzipienreiterei? Tolerantie! Vrijheid! Diversiteit!
Echter, om drie redenen gaat die vlieger hier niet op.
In de eerste plaats gaat het hier niet om een individuele HR-medewerker die de boel op z’n Job Cohens een beetje bij elkaar probeert te houden. Dat zou niet erg zijn. Wat hier aan de hand is, is dat SGP, CU en vooral CDA de weigerambtenaar op het schild hebben gehesen, wat heeft geleid tot een officiële positie van de regering en zelfs tot teksten in regeerakkoorden. Formeel om “de gewetensbezwaarde (sic) ambtenaar te beschermen”, maar in de praktijk natuurlijk omdat de christelijke partijen toch nog willen terugvechten na hun politieke en maatschappelijke nederlaag in hun verzet tegen de opstelling van het huwelijk. Niks geen minnelijk pragmatisme of discretionaire bevoegdheid: het gaat hier gewoon om beleid. Dat geeft de discussie een heel andere lading.
In de tweede plaats: zoals Jan Dirk Snel zelf al opmerkt is het huwelijk natuurlijk niets dan symboliek. De openstelling van het huwelijk voor alle Nederlanders was dan ook vooral een belangrijke symbolische overwinning voor wie toevallig niet heteroseksueel is: hun relaties worden nu officieel als gelijkwaardig beschouwd. Belangrijker nog dan daadwerkelijk trouwen, is het recht te mogen trouwen. Door een uitzonderingsgrond te creëren die enkel en alleen geldt voor mensen die “gewetensbezwaren” (sic) hebben tegen een specifieke groep, geeft de overheid aan dat het huwelijk van homo’s toch net even iets minder waard is dan het huwelijk van hetero’s. Andere uitzonderingsgronden worden immers niet erkend, zo zegt ook de staatssecretaris. Ook komt er geen algemene regel dat ambtenaren zelf mogen kiezen wie ze wel en niet willen trouwen. Nee, het gaat alleen om homostellen. Gelijkwaardigheid de kern van de zaak en die wordt hier frontaal aangevallen. De werkwijze van de rechts-christelijke activisten hebben zij netjes afgekeken van hun politieke broeders in de VS, waarin Fox News zichzelf vooral vaak “Fair and Balanced” noemt om de aandacht af te leiden van het feit dat zij een eenzijdige propagandamachine is. Zo kun je ook de opmerkingen van Jan Dirk Snel zien dat de argumentatie van de voorstanders van gelijke behandeling “antiliberaal” is, terwijl het juist “tolerant” is om speciale voorrechten in het leven te roepen voor hen die de bij wet vastgelegde gelijkwaardigheid niet wensen te erkennen. Leuk geprobeerd, maar het is natuurlijk de wereld op z’n kop.
Daarmee komen we bij het derde en laatste punt: tolerantie is mooi, maar je moet je wel afvragen wat je tolereert. Het enige waar je intolerant tegen moet zijn is intolerantie zelf. De open samenleving heeft het recht zichzelf te beschermen. Daarin zit precies het verschil tussen het erkennen van gewetensbezwaren van wie zich niet wil verzekeren (gemoedsbezwaarden), of wie geen geweld wil gebruiken (dienstweigeraars), en iemand die “gewetensbezwaren” heeft bij het erkennen van bij wet vastgelegde gelijke rechten.
Beste Jan Dirk,
Laat mij met een aantal algemene opmerkingen beginnen voordat ik weer in de inhoud duik (welke uiteraard het voornaamst is in deze discussie).
Ten eerste mijn excuses. Niet zozeer voor de toon welke ik in mijn vorige stuk heb aangeslagen – daar kom ik dadelijk op terug – maar voor mijn nalatigheid om mijn eigen tekst nog eens zorgvuldig te herlezen voor deze te plaatsen (dit geldt, zo zag ik, eveneens voor enkele slordige schrijffouten van me). Je wijst mij zeer terecht op een aantal slordigheden (mijn opmerking over je verwijzing naar Allah; het aantal verwijzingen naar het woord ‘gewetensbezwaar’; en het precieze aantal keren dat ik je aanspoor om goed te lezen) waarvoor ik je dankbaar ben. Ook ik ben niet zonder mijn fouten en het minste dat een mens kan doen is ze onder ogen te zien. Immers, wanneer ik jou beschuldig van slecht lezen doet het mijn betoog uiteraard weinig goeds wanneer ik mij aan eenzelfde ondeugd schuldig maak.
Ten tweede, ik verontschuldig mij niet aan je voor mijn gekozen toon, en de door mij gemaakte verwijten. Hoewel ik normaliter zeer zachtaardig ben, en mij schriftelijk ook als zodanig uitdruk, vormden ook mijn stijl en toon een welgekozen onderdeel van mijn antwoord op jouw analyse. In je oorspronkelijke stuk bedien je jezelf graag van uitspraken als “De samenvatting […] is ongefundeerd en berust op slordig of kwaadwillend lezen. Onzin. Flauwekul.”, “Duyvestijn en Kleinpaste laten hun verbeelding nog iets verder op hol slaan”, “Pure fantasie dus”, “Maar wat vooral opvalt, is hoe slordig de twee auteurs redeneren”, “Ieder die het leest, zal zien dat het een enorme angst voor vrijheid uitstraalt, de vrijheid van anderen. Het is vooral een antiliberaal stuk. Met tolerantie, vrijheid en gelijkheid hebben de heren het nogal moeilijk, maar daarover moeten we het misschien later nog maar eens hebben” om anderen te diskwalificeren. Tegelijkertijd vind je jezelf blijkbaar heel wat (“Met tolerantie, vrijheid en gelijkheid hebben de heren het nogal moeilijk, maar daarover moeten we het misschien later nog maar eens hebben”, en “Ik heb het meer op vrijheid. Maar ja, dat is wel erg ouderwets, dat besef ik ook wel”). Om dergelijke stevige ego’s te doorbreken (met name zelfgenoegzaamheid is een taaie schil) heb je zwaar gereedschap nodig. Bij nader inzien verontschuldig ik mij wel aan de lezers van je blog. Door mijn toon en woordkeuze heb ik mijzelf aan hetzelfde karaktergebrek schuldig gemaakt, en dit leidt onnodig af van de inhoudelijke discussie. Dit keer dan ook geen persoonlijke verwijten of stoten onder de gordel.
Dan de inhoud. Voor het gemak zal ik dezelfde nummering van argumenten hanteren als jij in je reactie hebt gebruikt.
[1] Hier ga je dieper in op de voorbeelden in de brief van de plv. SG betreffende het huwen van bijv. joden met niet-joden of blanken met kleurlingen. Je geeft hierbij aan dat “de ministeriële antwoordbriefschrijver meent dat er voor zover bekend geen enkele godsdienst is waarmee dergelijke verbintenissen op gespannen voet staan” en concludeert hieruit vervolgens: “De vraag lijkt dus imaginair”. Laat ik hier volstaan met een korte verwijzing. Volgens het traditionele jodendom zijn gemengde huwelijken (dus tussen een jood en een niet-jood) uit den boze (Deuteronomium 7:3-4). Daar diverse politici binnen en buiten de coalitie zich vaak voorop laten staan dat Nederland een ‘judeo-christelijke(-humanistische) traditie heeft blijkt dit voorbeeld verre van imaginair. Maar goed, daar argument [1] niet hoofdzakelijk over.
[1; vervolg] Waar het om gaat is je stellige bewering dat de brief van de plv. SG op geen enkele wijze onderscheid tussen verschillende godsdiensten zou maken, maar dat dergelijke bezwaren “gewoon niet worden erkend”, en dat mijn eerdere conclusie dat hier “geen ruimte voor niet-christelijke levensbeschouwingen is” flauwekul zou zijn. De crux zit in een schijnbaar flauw onderscheid tussen jouw opvatting waarin bezwaren al dan niet erkend worden, en de mijne waarin gronden voor bezwaren al dan niet erkend worden. Het is niet voor niets dat in deze discussie de verantwoordelijke bestuurders altijd zorgvuldig spreken over ‘gewetensbezwaren’ en niet over sec ‘bezwaren’. Wat bedoel ik hiermee? Laten we eens kijken naar een ander voorbeeld waarin de Nederlandse wetgeving ruimte liet voor gewetensbezwaren: de dienstplicht. In de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst uit 1962 staat “Ernstige gewetensbezwaren in de zin van deze wet zijn de onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld waarbij men door dienstvervulling in de Nederlandse krijgsmacht kan worden betrokken”. Een dienstplichtige kon dus niet zomaar een beroep doen op bezwaar tegen de dienstplicht omdat hij geen zin had, geen tijd had, niet hield van de kleur groen, liever niet samen met andere mannen douchte, smetvrees had, noem het maar op. Neen. Wat als dan niet erkend werd was niet zozeer het bezwaar, als wel de grond van het bezwaar: “onoverkomelijke gewetensbezwaren”. Zo is het wezenlijk gezien ook bij onze discussie over weigerambtenaren. Ik moet de eerste ambtenaar nog zien die consequentieloos mag weigeren een homostel te huwen omdat hij ‘geen zin heeft’, hij de gekozen kledij ‘nu eenmaal niet mooi vindt’, of omdat hij het niet goed kan vinden met bijvoorbeeld de moeder van een van de huwelijkspartners. Je stelling dat “bezwaren tegen een bepaalde handeling worden erkend, tegen andere niet” is dan ook zuiver gezien niet juist, en je conclusies hieruit ten aanzien van de betekenis van de brief van plv. SG evenmin. Het ‘bewijs’ waarnaar je vraagt aangaande jouw opmerking dat iedereen met gewetensbezwaren gelijk behandeld zal worden is dan ook slechts een logische gevolgtrekking: (A) bij een werkelijk levensbeschouwing-neutrale overheid is een bezwaar mogelijk wanneer dit bezwaar vanuit de levensbeschouwing van een ambtenaar onoverkomelijk is en daarmee terecht als gewetensbezwaar kan worden erkend (analoog aan de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst); (B) geconfronteerd met een situatie waarin een aanstaand huwelijk volgens het christendom niet acceptabel is vanwege bepaalde eigenschappen van de huwelijkspartners waarop normaliter niet gediscrimineerd mag worden, mag een ambtenaar met een beroep op zijn levensbeschouwing weigeren het huwelijk te voltrekken (m.a.w. gewetensbezwaar tegen het homohuwelijk); (C) geconfronteerd met een situatie waarin een aanstaand huwelijk volgens een willekeurige andere levensbeschouwing niet acceptabel is vanwege bepaalde eigenschappen van de huwelijkspartners waarop normaliter niet gediscrimineerd mag worden (anders dan geslacht), mag een ambtenaar met een beroep op zijn levensbeschouwing niet weigeren het huwelijk te voltrekken (conform het gestelde in de brief van plv. SG). De analyse is dan “(A) en (B), dan niet (C); echter wel (C) en wel (B); ergo, niet (A)”. Met andere woorden dat (B) en (C) beiden tegelijkertijd waar zijn maakt (A) noodzakelijk onwaar. Quod Erat Demonstrandum (hetgeen in deze situatie zoveel betekent als ‘onze overheid behandeld dus niet iedereen met gewetensbezwaren gelijk’).
[2] Granted. Deze heb ik je in de inleiding reeds toegegeven, al lijkt me dit geen fundamenteel punt in deze discussie. Ten hoogste gebiedt dit mij tot enige rectificatie ten aanzien van jouw leesvaardigheden. Bij dezen.
[3]Je stelt hier dat ik een erg flauw antwoord geef of je verzoek om “twintig of dertig” voorbeelden van een overheid die “steeds de term ‘gewetensbezwaard’ uit de hoge hoed trekt” zoals Thijs en Marcel beweren. Namelijk dat er maar liefst 105 weigerambtenaren bekend zijn. Volgens jou is dit maar één voorbeeld (dat 105 keer terugkeert). Het misverstand lijkt te zijn dat jij vraagt naar verschillende voorbeelden van categorieën van gewetensbezwaar, terwijl mijn antwoord gebaseerd is op verschillende voorbeelden van instanties van gewetensbezwaar (van een enkele categorie). Voor het juiste antwoord citeer ik toch even naar de oorspronkelijke tekst van Thijs en Marcel. Hier staat letterlijk: “Een overheid die de term ‘gewetensbezwaard’ steeds als konijn uit de hoge hoed trekt voor een ambt dat iemand vrijwillig kiest, en deze uitzondering bovendien alleen toestaat voor godsvruchtige mensen, kan niet blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden”. Hoewel jouw lezing niet direct tegenstrijdig is met dit tekstfragment, maakt de aan dit citaat voorafgaande zin “Liever geven wij gelijke monniken een gelijke kap, en gelijke trouwambtenaren gelijke werkvoorschriften” mijn lezing toch de meest voor de hand liggende. Om uitsluitsel hierover te krijgen moeten we echter bij Thijs en Marcel zelf zijn, dus ik hoop dat zij deze discussie vereren met een verduidelijking.
[4] Je stelt hier op een gegeven moment dat een van mijn verwijten aan jou niet gerechtvaardigd is omdat hoewel bezwaren in het algemeen een grond of motief veronderstellen, “in de brief [van de plv. SG] over die motieven helemaal nergens gesproken wordt”. Hetgeen je hier stelt is simpelweg onjuist. De plv. SG citeert de brievenschrijver over zijn voorbeeld waarin “ambtenaren met bepaalde andere geloofs- dan wel levensovertuigingen zich bezwaard voelen om bijvoorbeeld kleurlingen met blanken of joden met niet-joden te huwen”. De expliciete benoeming van ‘andere geloofs- dan wel levensovertuigingen’ als reden voor gewetensbezwaar is hier essentieel en behelst wezenlijk, zoals ik al eerder heb beargumenteerd, een verwijzing naar motieven. Dat de plv. SG vervolgens stelt dat “in het geval een dergelijke situatie zich onverhoopt voordoet”, verwijst ‘dergelijk situatie’ naar het zojuist genoemde voorbeeld van ‘ambtenaren met bepaalde andere geloofs- dan wel levensovertuigingen’, en hiermee verwijst de plv. SG dan ook naar de door de brievenschrijver aangehaalde motieven. Ten aanzien van de verwijzing naar de coalitieteksten, en mijn lezing van de centrale rol van motieven hierin, verwijs ik naar mijn uitgebreide antwoord bij jouw punt [1]; te weten dat het concept ‘gewetensbezwaar’ wel degelijk het motief van de bezwaarde centraal stelt.
[5] Je zegt dat je met jouw opmerking “niemand wordt dus gediscrimineerd” slechts een algemene uitspraak doet in het licht van je vorige zin. Wanneer je een en ander volgens die lezing beziet snap ik je opmerking. Ik heb je echter niet willen beschuldigen van het verkeerd lezen van Cohen, maar van het verkeer lezen van het opiniestuk van Thijs en Marcel. Jouw stuk is een reactie op het opiniestuk, en de centrale boodschap van dit opiniestuk is dat de overheid discrimineert ten aanzien van haar eigen ambtenaren (Thijs en Marcel hebben het letterlijk over “merkwaardige discriminatie”). Wanneer jij dan op een bepaald ogenblik stelt ‘niemand wordt dus gediscrimineerd’ vind ik het een logische aanname dat je hiermee poogt om de beschuldiging van discriminatie door Thijs en Marcel tegen te spreken. Met name het gebruik van het woordje ‘dus’ lijkt mijn lezing te onderstrepen, daar deze in jouw lezing overbodig zou zijn. Wanneer je mijn eerdere argument volgens deze lezing beziet zul je zien dat het steekhoudt. Maar goed, je hebt het blijkbaar anders bedoeld. Daarmee is mijn eerdere argument niet foutief, maar is slechts jouw eerdere opmerking dat ‘niemand dus wordt gediscrimineerd’ irrelevant geworden.
[6] Mea culpa. Je hebt hier een punt in zoverre ik je beticht van slecht lezen, en ten aanzien van mijn inderdaad foutieve conclusie van ‘diskwalificatie van seculiere overtuigingen’. Je hebt echter geen weerwoord op mijn kritiek in het geval van “jouw meest gunstige interpretatie” (welke dus de juiste blijkt), en ga er vooralsnog dan maar vanuit dat je het op dat punt met mij eens bent.
[7] Mijn eerdere opmerkingen over artikel 6 van de grondwet hadden betrekking op twee van je uitspraken. Laten we beginnen met de tekst van dit artikel 6 zelf. Lid 1 stelt dat “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. De twee elementen die hier van belang zijn zijn ten eerste ‘godsdienst of levensovertuiging’, en ten tweede ‘verantwoordelijkheid volgens de wet’. Het gewetensbezwaar dat ten aanzien van het voltrekken van homohuwelijken nu (nog) mogelijk is vrijwaart de trouwambtenaar in de uitoefening van zijn ambt van het normaal geldende verbod op “discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook” (artikel 1 van de grondwet; waar seksuele geaardheid volgens jurisprudentie eveneens onder valt). In abstracto: in het geval van de weigerambtenaar vrijwaart zijn ‘godsdienst of levensovertuiging’ hem in geval van gewetensbezwaar van zijn normale ‘verantwoordelijkheid volgens de wet’ ten aanzien van het non-discriminatiebeginsel. Uit het antwoord van de plv. SG blijkt echter klip en klaar dat anders gemotiveerde gevallen van gewetensbezwaar, welke blijkens de voorbeelden vanuit een andere ‘geloofs of levensovertuiging’ voortkomen, niet worden gevrijwaard ten aanzien het non-discriminatiebeginsel (dit maal betreffende respectievelijk ‘ras’ en ‘godsdienst’). Wat betreft de twee hoofdelementen uit artikel 6 is er hier dus sprake van een ander oordeel (wel/geen mogelijk beroep op gewetensbezwaar) in een gelijke situatie (vrijwaring ten aanzien van het non-discriminatiebeginsel op basis van godsdienst of levensovertuiging in de uitoefening van het trouwambt). Dit lijkt mij een vrij heldere verduidelijking van de onduidelijkheid die jij meent te zien in “wat het erkennen van een zeer bepaald gewetensbezwaar te maken heeft met het mogelijk erkennen van andere mogelijke gewetensbezwaren”. Het antwoord hier is uiteraard gelegen in het bekende gezegde ‘gelijke monniken, gelijke kappen’; om de verdenking van willekeur (of in dit geval de beschuldiging van discriminatie)af te wenden dien je als overheid wanneer je het een accepteert ook het andere (dat in alle relevante opzichten hetzelfde is) te accepteren. Dat je hier ten aanzien van die andere gevallen aan toevoegt dat “Als die zich wel aandienen, zal daar eventueel afzonderlijk over gesproken kunnen worden” doet hier niets aan af. Dat zou impliceren dat artikel 6 een voorwaardelijke gelijkstelling van levensovertuiging behelst, maar als grondwetsartikel geldt deze toch echt onvoorwaardelijk (in gevallen die in alle relevante opzichten hetzelfde zijn). Ook je tweede opmerking dat “ook de redenering dat door uitzonderingen toe te staan de overheid niet alle overtuigingen en mensen gelijkwaardig zou behandelen, is uiterst merkwaardig en ongerijmd” snijdt om die reden geen hout. Uitzonderingen toestaan voor één godsdienst, zonder eenzelfde ruimte voor andere godsdiensten en levensovertuigingen toe te staan impliceert namelijk precies dat.
[8] Ik begrijp uit je reactie onder dit punt dat je in heel veel woorden mij eigenlijk gelijk geeft. Dat je vervolgens stelt dat het algemene het specifieke impliceert is geen argument tegen mijn standpunt maar een algemene waarheid welke in deze context volstrekt irrelevant is. Wanneer je de situatie van de christelijke weigerambtenaar ten aanzien van het homohuwelijk leest als zijnde het privilege van een ambtenaar om op basis van zijn godsdienst een beroep te doen op gewetensbezwaar ter verdediging van het niet uitoefenen van zijn taak, dan is dit een privilege dat in de huidige situatie slechts is voorbehouden aan de religieuze ambtenaar versus het uit gelijkslachtige partners samengestelde aanstaande bruidspaar.
[Tot slot] Op een aantal van je opmerkingen ben ik reeds in de inleiding van dit stuk in gegaan. Mijnin de inleiding genoemde onvolkomenheden leiden er uiteraard toe dat ik een klein gedeelte van mijn eerdere beschuldigingen aan jouw adres ten aanzien van drogredeneringen, presentatie van feitelijke onjuistheden, onproductieve gedachtekronkels of verwrongen interpretaties tegen te komen nu in moet slikken. De aard en inhoud van mijn bovenstaande repliek – en het feit dat je slechts op een deel van mijn kritiek en argumenten bent in gegaan – rechtvaardigt mijn eerdere beschuldigingen (zij het in iets bescheidenere mate) mijns inziens nog steeds. Dat ik stel dat dit ter kwader trouw is kan mij inderdaad als een niet onderbouwde beschuldiging voor de voeten worden geworpen. Echter, gezien het feit dat je in het verleden wel degelijk goed onderbouwde stukken hebt geschreven, heb ik je tekortkomingen in dit stuk niet met de mantel der liefde willen bedekken al wat het een onschuldige en abusievelijke faux-pas.
Tsja, en wat je afsluitende zin (“Ik geloof niet dat Joost het weet”) betreft, daar zit hem nu net het gevaar met geloven hé: het presenteren van subjectieve aannames als objectieve waarheden. Al weet ik niet of Jan Dirk dat gelooft…