.:.
Het lijkt me goed als ik even inga op enkele vragen die me al dan niet via Twitter bereikten over mijn vorige stukje hier, getiteld ‘Homohuwelijk en weigerambtenaren – Over de fantasie van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste’. Ik ga op vier punten in.
I. De brief van het ministerie van OCW
De eerste vraag is die naar de juiste interpretatie van de brief van of namens de plaatsvervangend secretaris-generaal van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die gisteren ook al ter sprake kwam en waar ik ook toen al naar linkte. De vraag is dan met name of ik de derde alinea wel recht doe. Ik zal daarom nog eens uitvoeriger op de brief ingaan.
Inhoudelijk bestaat de brief uit drie alinea’s, waarna dan in een vierde alinea, die hier niet relevant is, enkele afsluitende opmerkingen worden gemaakt. De structuur van de brief is helder. In de eerste alinea worden twee vragen opgeworpen. De eerste daarvan wordt in de tweede alinea beantwoord en de tweede in de derde alinea.
De anonymus die het bestuurlijk standpunt van de minister wilde weten, had kennelijk twee vragen gesteld over twee verschillende situaties.
(1) Mogen ambtenaren met een beroep op gewetensvrijheid weigeren om een huwelijk tussen homoseksuelen te sluiten?
(2) Mogen ambtenaren met een beroep op gewetensvrijheid weigeren om een huwelijk tussen partners met verschillende (etnische, religieuze) achtergronden te sluiten?
[1] Op de eerste vraag geeft de tweede alinea een antwoord. Dat luidt dat de rijksoverheid ‘gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand’ niet kan ‘dwingen om mensen van hetzelfde geslacht te trouwen.’ ‘Gemeenten hebben tenslotte een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het personeelsbeleid.’ In de eerste zin is nog wel gezegd dat in Nederland, ‘dat van oudsher een tolerant land is’, ‘ruimte’ moet zijn voor gewetensbezwaarde ambtenaren. Dat is alles wat betreft het antwoord op de eerste vraag, die uitsluitend over zeer bepaalde bezwaren gaat. Over de gronden van die bezwaren, uit welke levensbeschouwing of motivering ze eventueel voortkomen, wordt hier helemaal niets gezegd.
[2] Dan de tweede vraag, die in de derde alinea beantwoord wordt. Die gaat over bezwaren tegen geheel iets anders, namelijk over bezwaren van ambtenaren om – in de woorden van de vraagsteller – ‘bijvoorbeeld kleurlingen met blanken of joden met niet-joden’ te huwen. De brief heeft het in de eerste alinea over een ‘huwelijk tussen partners met verschillende (etnische, religieuze) achtergronden’.
Uit het citaat van de vraagsteller blijkt dat hij daarbij niet doelt op alle ambtenaren, maar op ‘ambtenaren met bepaalde andere geloofs- dan wel levensovertuigingen’. Andere: dat woord maakt het waarschijnlijk dat hij eerder in zijn brief over een of meer ‘geloofs- dan wel levensovertuigingen’ heeft geschreven, maar uit de antwoordbrief van het ministerie kunnen we niet opmaken in welk verband dat was en over welke geloofs- of levensovertuiging(en) het dan eventueel ging. Het is op zich niet onwaarschijnlijk dat de vragensteller in verband met zijn eerste vraag over – onder meer – christelijke overtuigingen heeft geschreven, maar we weten dat niet. De antwoordbrief van het ministerie gaat daar niet op in: die maakt anders dan de vragensteller geen onderscheid tussen overtuigingen.
Het antwoord op de vraag van de anonymus is tweeledig.
(a) Allerereerst blijkt dat men de concrete bezwaren waar hier naar gevraagd wordt, imaginair acht. Men kent ze niet. ‘Voor zover mij bekend is er geen godsdienst waarmee dergelijke verbintenissen op gespannen voet staan. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat een ambtenaar van de burgerlijke stand zou weigeren een dergelijk huwelijk te sluiten met een beroep op gewetensbezwaren.’ Het antwoord gaat hier over alle godsdiensten in het algemeen, niet over bepaalde ‘andere’ – ook al weten we niet op welke ‘andere’ de brievenschrijver doelde. Het eerste antwoord komt erop neer dat men niet weet van bezwaren tegen het sluiten van huwelijken van partners met verschillende etnische of religieuze religieuze achtergronden.
(b) Maar mochten zulke bezwaren toch voorkomen, dan worden ze niet erkend: ‘In het geval dat een dergelijke situatie zich onverhoopt zou voordoen, kunnen ambtenaren van de burgerlijke stand geen beroep op gewetensbezwaren doen.’ Geen enkele overtuiging kan hier een grond vormen en dan maakt het niet uit of die atheïstisch, hindoeïstisch of christelijk is. Geen enkele is geen enkele.
Het is helder. De brief geeft antwoord op twee verschillende soorten bezwaren, tegen verschillende handelingen. Bij de behandeling van het eerste bezwaar zegt de brief niets over de gronden van de bezwaren. Bij het tweede soort bezwaren zegt de brief dat men ze niet kent, maar mochten ze zich toch voordoen, dat ze dan niet erkend worden. Ten aanzien van geloofs- of levensovertuigingen wordt in de brief geen enkel verschil gemaakt. De briefschrijver heeft het daar kennelijk wel over gehad, maar de antwoorden volgen hem daarin niet en zijn algemeen van aard.
En het antwoord op de tweede vraag (in de derde alinea) zegt helemaal niets over het antwoord op de eerste vraag (in de tweede alinea).
II. Gelovigen versus seculieren?
Een tweede punt dat soms ter sprake komt, is dat het hier over gelovigen versus, zeg, seculieren zou gaan. Het stuk van Duyvestijn en Kleinpaste van gisteren gaat sterk van die tegenstelling uit. Ze beklagen zich over het ‘voortrekken van gelovigen’. Maar de tegenstelling deugt niet.
Het gaat gewoon om mensen die concrete gewetensbezwaren hebben. Gezien de verhoudingen in Nederland lijkt het me empirisch zeer waarschijnlijk dat veel van die gewetensbezwaarden een bepaalde geloofsovertuiging hebben en het is ook niet onwaarschijnlijk dat ze zelf een zeker verband met hun bezwaren leggen. Maar dan nog kan het gaan om geheel verschillende overtuigingen. Bij mijn weten bestaat er alleen al geen eenduidige christelijke ethiek en mensen kunnen ook vanuit andere religieuze en levensbeschouwelijke achtergronden bezwaren hebben. In dit concrete geval kan men al snel een zekere natuurrechtelijke of naturalistische tendens in de morele overwegingen verwachten en in die zin is het principieel allerminst gezegd dat een bezwaarmaker per se aanhanger is van een bepaalde godsdienstige richting. Maar nogmaals, dat dat empirisch vaak het geval zal zijn, dat lijkt me waarschijnlijk. En omdat werkzaamheden vooral praktisch verdeeld kunnen worden, doet de aard en de grond van het bezwaar er ook niet zo toe; men hoeft geen juridische procedures te voeren om het werk aan verschillende mensen toe te vertrouwen.
Maar principieel deugt de tegenstelling niet. Niet alleen omdat de bezwaren niet per se religieus hoeven te zijn, maar ook niet omdat natuurlijk lang niet alle mensen met een godsdienstige overtuiging bezwaren tegen het sluiten van een homohuwelijk hebben. Het is niet zo dat christenen of moslims of anderen allemaal massaal bezwaar zouden maken. Sommige kerken gingen de overheid voor in het erkenen van homohuwelijken en nog steeds worden zulke huwelijken in kerkelijke gemeenten gevierd. Er zijn heel wat voorgangers en leden van religieuze organisaties die zelf een homohuwelijk – raar woord, maar ik gebruik het toch maar – gesloten hebben of die met iemand van het zelfde geslacht samenleven. Ik kom ze in mijn vrienden- en kennissenkring regelmatig tegen. En sommigen van hen beklimmen regelmatig kansels om van daar het kerkvolk toe te spreken.
Het idee dat het hier om gelovigen versus ongelovigen zou gaan, is dan ook onjuist. Al eerder heb ik Thijs Kleinpaste op zo’n generaliserend misverstand betrapt. In dit geval gaat het om gewetensbezwaren van bepaalde mensen, die allerlei overtuigingen aan kunnen hangen, en die men wel of niet kan willen erkennen. Dat is alles.
III. Discrimineren ambtenaren?
Een opmerking die ik ook wel voorbij zag komen, is dat ambtenaren die gewetensbezwaren hebben tegen het sluiten van homohuwelijken, zouden discrimineren.
Let wel, dit is iets anders dan de bewering dat erkenning van gewetensbezwaren zou betekenen dat sommige ambtenaren voorgetrokken zouden worden en dat hun collega’s daarmee gediscrimineerd zou worden. Daar heb ik het de vorige keer al over gehad. Het valt moeilijk in te zien waarom een ambtenaar die met plezier homohuwelijken voltrekt, zich gediscrimineerd zou kunnen voelen, als een collega dat liever niet doet.
Maar nu de vraag of zogenaamde weigerambtenaren – voor de helderheid gebruik ik de term toch maar, al besef ik dat sommigen protesteren – homo’s zouden discrmineren. Mij lijkt dat een absurde voorstelling. Mensen die willen trouwen, kloppen aan bij de overheid en die gaat op hun verzoek in. De overheid mag niet discrimineren, die hoort iedereen in gelijke gevallen gelijk te behandelen, dat is de betekenis van het eerste artikel van de Grondwet en dat doet ze ook niet – of juist wel, als we op de tweede, positieve formulering letten. Als intern bezwaren erkend worden, dan heeft dat niets met discriminatie van huwelijkskandidaten te maken. Het is niet zo dat een trouwlustig paar de trouwzaal betreedt en daar plotseling geconfronteerd wordt met een ambtenaar, die ineens weigert om de plechtigheid uit te voeren.
Wat ik uiteraard wel begrijp, is dat mensen zich gekwetst kunnen voelen door het gegeven dat wat voor hen een wens is, iets positiefs, voor anderen iets is waar ze niet aan mee willen werken. Mensen willen erkenning of zoeken bevestiging en dat geldt ook voor homoseksuelen. En mensen die hun levensverbintenis moreel afkeuren, onthouden hun die erkenning. Dat kan pijnlijk zijn. Hier doet zich primair een botsing voor tussen twee morele opvattingen. Zoals zogenaamde weigerambtenaren erkenning vragen voor hun morele bezwaren, willen sommige homo’s in feite erkenning van de overheid dat hun relatie juist is en vinden ze dat de overheid niet toe moet geven aan andere opvattingen daarover. Het gaat hier om erkenning versus erkenning.
Dat verklaart waarschijnlijk ook de verbetenheid waarmee van beide kanten soms gereageerd wordt. Er staat voor mensen iets op het spel dat hun diepste wezen raakt.
IV. Juridisch en moreel
Zakelijk blijft de vraag inderdaad wanneer de overheid bepaalde gewetensbezwaren van ambtenaren moet erkennen en wanneer niet. Daarover kan men van mening verschillen. Het gaat dan om een normatieve vraag, die in mijn stukje van gisteren pas tegen het eind aan de orde kwam. Mijn feitelijke analyse in het voorgaande stond daar geheel los van.
Ik wil daarbij nog kort iets verduidelijk en misschien toevoegen. Het huwelijk kent vele aspecten, maar in dit geval is vooral het onderscheid tussen het juridische en het morele aspect aan de orde. ‘Moreel’ kan men hier ook lezen als symbolisch, persoonlijk en wat al dan niet meer. Wat precies is hier niet zo van belang: ik doel op alles dat niet-juridisch is. Voor de overheid zijn in feite alleen de juridische aspecten van het huwelijk van belang en mijn opvatting is dan ook dat ze zich daar bij huwelijkssluitingen toe zou moeten beperken. En als ze dat deed, dan zou ik ook geen enkele reden zien om gewetensbezwaren te erkennen. Ambtenaren en ook rechters moeten nu eenmaal wel vaker wetten uitvoeren waar ze het niet mee eens zijn.
Gisteren was ik inzake dat juridische aspect misschien wel erg streng. Ik heb daar nog eens over nagedacht. Het kan natuurlijk ook best iets uitvoeriger en feestelijker dan ik toen voorstelde, maar de kern lijkt me dat bij de plechtigheid alleen de juridische aspecten centraal moeten staan. Dat zou kunnen door standaardteksten op te stellen die daar over gaan. Maar het persoonlijke, symbolische, morele aspect zou buiten beschouwing moeten blijven. Geen gedichten van Vasalis of Toon Hermans, geen persoonlijke toespraken. Daar zoeken mensen maar een andere gelegenheid voor. Daarvoor waren kerken nou ook juist bedoeld. Als mensen hun huwelijk niet meer in een kerk willen laten inzegenen, is dat hun goed recht, maar dan moeten ze maar iets anders verzinnen. Er zijn genoeg ondernemers die iets leuks willen verzinnen. Ik zie echt niet in waarom de overheid als evenementenbureau zou moeten optreden.
Zolang de overheid dat wel doet, pleit ik voor een soepele omgang met het bij elkaar brengen van de huwelijkskandidaten en de uitvoerend ambtenaar van de burgerlijke stand. De nadruk hoort niet te liggen op het niet willen, het weigeren, maar op het wel willen. Toen ik op Google even zocht op ambtenaar van de burgerlijke stand, was een van de eerste treffers een interview met een buitengewoon ambtenaar die blijkens de inleiding al een huwelijk ‘onder water’ sloot. Ik heb de rest van het verhaal niet gelezen, maar het lijkt me dat je ook niet van elke ambtenaar mag vragen dat die zich voor een huwelijkssluiting in het water begeeft. Ik vind het echt van de gekke en ik ben van mening dat huwelijken vanwege hun juridische karakter – dat is voor de overheid het enige relevante punt – nooit buiten een gemeentehuis of althans een overheidsgebouw gesloten zouden mogen worden, maar zolang de overheid optreedt als medewerker aan of facilitator van allerlei ongein, vind ik dat ze soepel moet zijn in het regelen van huwelijken. Hoe vaak zien we in de krant geen foto van bekende Nederlanders die door een goede vriend in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand in de echt worden verbonden? Dat is dan echt geen ambtenaar die ‘nu eenmaal’ zijn werk doet. In deze omstandigheden – die ik dus op zich fout acht – is er niets op tegen dat trouwlustige hindoestanen een ambtenaar zoeken die hun achtergronden goed aanvoelt, zoals er dan – en alleen dan – ook niets op tegen is dat Henk Krol als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand zich kennelijk vooral op homostellen richt. Maar geef dan ook anderen een kans. Geef ook mensen met andere morele opvattingen de gelegenheid om stellen te trouwen die ongeveer gelijke opvattingen hebben. Henk Krol zijn feestje als overheidsdienaar? Dan vrome bevindelijken ook, zou ik zeggen.
Kortom, ik ben dus eigenlijk tegen weigerambtenaren en ik vind de erkenning van gewetensbezwaren alleen maar juist omdat de overheid van huwelijkssluitingen zulke merkwaardige feesten heeft gemaakt. Als een huwelijkssluiting inderdaad zoiets was als een bouwvergunning regelen, dan was het echt iets anders. Maar dat is het niet.
Een persoonlijke noot
Wie a zegt, moet ook b zeggen. Het leek me het handigst om op opmerkingen, die op prijs worden gesteld, maar even zo te reageren. Maar ik weet niet of ik verder nog op dit punt zal ingaan. Dit kost handenvol tijd – ik heb ook nog een vragensteller die zeer lang van stof was, afzonderlijk beantwoord – en het gaat over een zaak die me persoonlijk niet aangaat. Ik heb geen gewetensbezwaren en ik kan me ook niet zo goed voorstellen hoe die in elkaar steken. Maar ik besef dat ze bestaan en het lijkt me dat we in een open maatschappij mensen recht moeten doen. Dat geldt voor homo’s die niet gediscrimineerd willen worden, en dat geldt voor mensen die andere – op zich trouwens zeer bekende, want traditionele – opvattigen hebben. De vraag is hoe we als mensen met verschillende morele opvattingen samen kunnen leven en elkaar ruimte kunnen gunnen.
Het merkwaardige van het huidige gelijkheidsdenken is dat het vaak betekent dat men iedereen in dezelfde mal wil persen. Als men al vindt dat een ander meer vrijheid zou hebben, dan lijkt me eerder dat men zelf moet vragen om dezelfde vrijheden, dan dat men de ander zijn vermeende vrijheden af moet pakken. Als je het zo formuleert, is het direct ook de vraag of die ander nou echt wel meer vrijheden heeft. Betekent de erkenning van de gewetensbezwaren van een ander, die ik niet heb, dat ik minder vrijheid heb? Denk het niet. Betekent het maken van een uitzondering voor iemand die daar groot belang bij heeft – zeg, het kunnen nuttigen van kosjer vlees -, dat ik daarmee in mijn vrijheid beknot wordt en dus ongelijk behandeld word? Lijkt me niet.
De vraag naar de vrijheid, de vrijheid van de ander, beroert me, omdat ik steeds meer zie hoe die vrijheid door een niet doordacht doctrinair denken in het nauw komt. Maar in mijn persoonlijke geval gaat het echt ook om de vrijheid van anderen, niet om mijn vrijheid. Ik kom daar graag voor op, maar de wereld is groter en er zijn andere thema’s. Ik moet er echt nog eens over nadenken of ik steeds op dit soort punten in zal willen gaan. Nederland is weliswaar een interessant moreel laboratorium, dat nogal afwijkt van de rest van de wereld – en al naar gelang de zienswijze zal men dan over voortuitlopen spreken of juist een andere term kiezen -, het is ook nogal een klein land.
Soms denk ik dat ik mijn tijd beter aan die veel grotere wereld kan besteden.
.:.
Doorwrochte aanvulling/uitleg op je eerdere overigens al duidelijke stuk. Ik ben het(ook) eens met je conclusie dat niemand een nadeel heeft van de zgn weigerambtenaren dus waar maken we ons eigenlijk druk om.
Wat betreft de huidige trouwpraktijk, ontdekte ik trouwens onlangs dat bij de gemeente Amsterdam er zelfs trouwambtenaren voor 1 dag zijn, dat wil zeggen dat je gewoon een familielid of een kennis voor 1 dag tot trouwambtenaar kunt laten benoemen, zodat die het huwelijk kan voltrekken.
Op deze manier heeft een huwelijk helemaal niets meer met een dienstverlening door de overheid te maken. We laten toch ook geen BN’ers of familieleden tot notaris-voor-1-dag benoemen om onze testamenten te laten passeren of onze BV’s op te richten? (nu ik dit schrijf bedenk ik me dat het gezien de commercialisering van het notariaat waarschijnlijk niet eens zo ondenkbaar is…)
In plaats van de non-discussie over de weigerambtenaren, zou ik veel liever zien dat we eens wat fundamenteler zouden discussieren over zulke aspecten van het instituut huwelijk, of over de sociale positie van homo’s en verschillende samenlevingsvormen, waarover ik in mijn reactie op de vorige blog alhier schreef.