Het CDA moet zich opnieuw uitvinden

.:.

Op Twitter belandde ik in een korte uitwisseling met Hans Goslinga, Koert van Bekkum en Bart Jan Spruyt, die begon met een verwijzing door Van Bekkum naar een column die Spruyt gisteren, woensdag 8 juni 2011, schreef voor het Katholiek Nieuwsblad en die leidde naar de column van zijn hand die morgen, vrijdag 10 juni 2011, in het Nederlands Dagblad verschijnt en nu al online staat. Op dat laatste stuk probeer ik zo meteen – misschien vanavond nog, misschien morgenvroeg – afzonderlijk in te gaan. Op het eerste stuk, 'Back to basics: de C van CDA', ga ik nu niet in.

Maar het deed me wel denken aan het stuk dat ik negen maanden geleden schreef en dat op zaterdag 11september 2011 in NRC Handelsblad verscheen, onder de titel ‘Alle populisten waren katholiek’. Hieronder zet ik de laatste versie neer, die ik enkele dagen eerder ingeleverd had. Ik heb nu niet gecontroleerd of er daarna in overleg met de redactie in mailwisseling of telefoongesprekken nog belangrijke wijzingen aan zijn gebracht. Dit is in ieder geval wat ik te zeggen had nadat ik op een eerdere versie zeer stimulerend commentaar van de redactie ontvangen had.

Ik weet nu ook niet goed in hoeverre ik het nog met me zelf eens ben. Dit stuk ging over een partij die er naar mijn idee zou moeten zijn, maar die niet per se mijn eigen partij zou zijn. De crisis in de Nederlandse politiek zit ook nu nog steeds op rechts. Links heeft zich de laatste jaren goed gediversifieerd en is ook vrijwel op sterkte gebleven. Maar traditioneel rechts zit ernstig in de versukkeling. Wat ik zo neutraal mogelijk maar nieuwrechts noem, heeft namelijk weinig gemeen met wat we altijd onder rechts verstonden. Het CDA is koppig voortgegaan op de dwaze weg die het vorig jaar onder leiding van Maxime Verhagen is ingeslagen en de Eerste Kamerverkiezingen waren een nieuw dieptepunt. Men kan zich nu afvragen of het CDA nog terug kan komen. Misschien dat de partij beter opgeheven zou kunnen worden en opgevolgd zou kunnen worden door twee nieuwe partijen: eentje die in het midden op een bescheiden wijze de oude centristische koers van Van Agt en Lubbers zou voortzetten, die door een opstandige fractie onder leiding Elco Brinkman destijds zo effectief om zeep geholpen is, en eentje die een meer nationalistisch-conservatief alternatief zou vormen voor wat ten onrechte populisme heet. Ik weet het niet, ik moet daar nog eens over nadenken.

Mijn vraagstelling in dit oudere stuk hieronder is wel geheel anders dan die van Bart Jan Spruyt in zijn recente column. Het gaat mij om de functie die een partij als het CDA in het politieke spectrum zou kunnen innemen. Spruyt heeft het over de vraag ‘hoe het nu verder moet met de christelijke politiek in Nederland?’. Dat die vraag dertig jaar na oprichting van het CDA niet gek klinkt, geeft meteen het falen van die partij aan. Maar dat moet ik later misschien nog maar eens uitleggen.

Ik geef mijn oude stukje ter overdenking. En ik zal er zelf ook nog eens over nadenken. Misschien dat er een vervolg komt, misschien ook niet.

.:.

Het CDA moet zich opnieuw uitvinden

door Jan Dirk Snel

 

De crisis van de huidige Nederlandse politiek is de crisis van het CDA. Het is vooral de crisis die ontstaan is uit de katholieke ontzuiling. Het CDA zal zich opnieuw moeten uitvinden door een niet-moraliserende visie te ontwikkelen die de christelijke traditie met de seculiere moderniteit verbindt en daardoor ook de tegenstelling tussen platteland en stad kan overwinnen.

-

In 1963 telden de drie partijen die in 1980 opgingen in het CDA en bij de verkiezingen van 1977 al één lijst vormden, nog 76 zetels, precies evenveel als VVD, PVV en CDA er nu samen hebben. De KVP (Katholieke Volkspartij) behaalde in zijn eentje 50 zetels (een derde van de Tweede Kamer), de protestantse ARP (Anti-Revolutionaire Partij) en CHU (Christelijk-Historische Unie) verworven er ieder 13.

Daarna ging het snel bergafwaarts. In 1967 kwam er een eind aan een halve eeuw confessionele meerderheid en binnen negen jaar, in 1972, was de KVP vrijwel gehalveerd: 27 zetels nog maar. Samen haalden de drie confessionele partijen dat jaar nog 48 zetels. Toen ze vijf jaar later samen onder Dries van Agt – die heden ten dage mirabile dictu regelmatig wordt weggezet als lid van de Linkse Kerk – onder de noemer Christen-Democratisch Appèl (CDA) de verkiezingen ingingen, wisten ze er zelfs nog een zetel bij te winnen: 49 was in de toenmalige omstandigheden een glorieus resultaat.

Tijdens de Lubbers-jaren werd met uitschieters naar 54 zetels in 1986 en 1989 de doorgaande structurele neergang verhuld, die in 1994 pijnlijk aan het licht kwam: na een leiderschapswisseling wist het CDA niet meer dan 34 zetels te behalen – en vier jaar later slechts 29. Dat Jan Peter Balkenende met een oprecht burgerlijk en moralistisch imago – ‘fatsoen moet je doen’ – drie keer (in 2002, 2003 en 2006) de neergaande lijn wist om te buigen door boven de veertig zetels uit te komen was knap, maar dit jaar bleek hoezeer de sterfte van de traditionele kerkelijke aanhang was doorgegaan: met 13,6% van de stemmen verkreeg het CDA nog een schamele 21 zetels, ongeveer wat men verwachten kon. Hooguit een derde deel van de huidige fractie heeft een katholieke achtergrond. Mensen weten dat niet precies, maar ze voelen dat wel aan.

De katholieke ontzuiling heeft een gat laten vallen. Bijna alle populistische bewegingen sinds de jaren zestig hebben (op die van de hervormde ‘boer’ Hendrik Koekoek na) dan ook een katholieke achtergrond. Hans van Mierlo die met zijn wandelfilmpje over democratisering uit 1966 het beginschot gaf, was net als Lubbers een jezuïetenleerling. De oorsprong en aanhang van de ouderenpartijen in 1994 – de eerste uiting van het nieuwe populisme – concentreerde zich rond Eindhoven. Hoewel hij intens in de ban van Marx, Lenin en Mao was geweest, werd LPF-leider Pim Fortuyn in 2002 vanuit de Rotterdamse kathedraal begraven. De SP vond zijn centrum in het Brabantse Oss en de aansprekende leiders, Jan Marijnissen en nu Emile Roemer, zijn roomse Brabantse dorpsjongens. Hun partij vormt vooral de voortzetting van de linkervleugel van de oude KVP, die met Marga Klompé en Gerard Veldkamp de verzorgingsstaat gevestigd heeft. Ook Geert Wilders is van huis uit een katholieke jongen uit Venlo. Hij blijkt enorm te appelleren aan het voormalige katholieke electoraat in Limburg, Brabant – én Volendam. De winst van de PVV ging per saldo volledig ten koste van het CDA.

-

Het merkwaardige is dat de seculiere PVV niet alleen een negatieve boodschap had – tegen de islam – maar ook een positieve: vóór de verondersteld joods-christelijke traditie. Daarin ligt de grote les voor het CDA. De paradox is namelijk dat die partij enerzijds alleen een vaste aanhang onder de slinkende groep trouwe kerkgangers wist te behouden, maar dat ze tegelijk slechts versluierend een beroep op het christendom durfde te doen. Dat moet andersom.

De christendemocratie is de enige Nederlandse politieke stroming die vanaf 1980 gepoogd heeft een eigen nieuwe politieke filosofie te ontwikkelen. Vier kernbegrippen werden daarbij steeds opgevoerd: gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. In cursussen werd dat kwartet er bij bestuurders grondig ingestampt, maar in de alledaagse praktijk konden ze er bar weinig mee. Ze waren te abstract. In verkiezingstijd hadden de vier centrale thema’s geen enkele zeggingskracht. Waar het op neerkwam, was dat het CDA de eigen werkzaamheid van maatschappelijke actoren propageerde en zich zo een positie tussen het staatsgerichte denken (etatisme) van de sociaaldemocratie en het individualisme van het economisch liberalisme probeerde te verwerven. In concreto betekende het dat men vond dat de overheid allerlei dingen zelf vooral niet moest doen: in feite toch een onzekere, aarzelende omhelzing van een anti-etatisme, dat praktisch nauwelijks verschilde van economisch liberalisme.

-

Wat het CDA nu te doen staat, is een herovering van het naar de PVV weggelopen electoraat. Praktisch heeft de partij daarvoor alles in huis: vooral een stevige traditie aan verantwoordelijk bestuurderschap, ook op lokaal en provinciaal niveau, waar de PVV helemaal niets tegenover kan stellen. Nu komt het aan op overtuigingskracht. Het CDA zal zich moeten richten op de positieve morele intuïties van de traditionele middenklasse. Vijandsdenken kan alleen maar bestreden worden door zelf alternatieve, positieve doelen te formuleren.

Het kan beginnen door op een ongedwongen de christelijke erfenis van onze seculiere cultuur in het middelpunt te stellen. Het CDA was een meester in het gebruik van mystificerende termen als de ‘inspiratie’ die het evangelie zou bieden. Het nadeel was alleen dat zowel gelovigen als ongelovigen de holheid ervan doorzagen. Van de PVV kan men leren dat een onomwonden beroep op de eigen christelijke erfenis veel meer indrukt maakt; het gaat immers om wat kerkelijken en seculieren met elkaar delen. En de meeste mensen zijn niet erg kerkelijk, maar hebben vagelijk wel iets met religie – en koesteren in ieder geval de dorps- of stadskerk in het centrum. De Passiespelen in Tegelen zijn altijd nog ongekend populair. De Sint Servaarprocessie in Maastricht trekt grote massa’s mensen.

Iedereen die een beetje thuis is in de Europese cultuurgeschiedenis, beseft dat het ongenuanceerd is om christendom en humanisme tegenover elkaar te stellen. Beide zijn altijd met elkaar verweven geweest. Het christendom heeft zijn eigen tegenkrachten opgeroepen. Door de specifieke Nederlandse verzuiling is het christendom in Nederland een aangelegenheid van bepaalde partijen geworden in plaats van een gedeeld patrimonium. Juist door de christelijke traditie te beklemtonen zou het CDA nu een echte doorbraakpartij kunnen worden, die ook de moderne, geseculariseerde burger – in de dorpen én de steden – kan aanspreken.

Het was een van oorsprong Syrische islamitische hoogleraar, de socioloog Bassam Tibi, die tegen het eind van de jaren negentig in Duitsland het begrip Leitkultur introduceerde. Hij doelde op de gedeelde Europese – en dus niet Duitse – basiswaarden. Het begrip werd snel nationalistisch en exclusivistisch misbruikt, maar op zich is een bij uitstek open term. Wie feitelijk een leidende of dominante cultuur ontwaart, impliceert immers dat ook ander culturen in een minderheidspositie volkomen welkom zijn. In die zin ligt er vooral een uitnodiging in. Wie zeker van zijn eigen identiteit is, voelt zich niet snel bedreigd en gunt anderen gemakkelijker hun eigenheid.

Daar ligt ook de uitdaging voor het CDA. Door op een ongedwongen wijze de gedeelde christelijk-humanistische erfenis van onze samenleving positief te benadrukken kan juist de irreële angst voor de bedreiging door het vreemde weggenomen worden. Het CDA zou daarbij met andere partijen vooral moeten uitzoeken wat het waard is te bewaren en wat overbodige ballast is. Het beruchte godslasteringsartikel (147 uit het Wetboek van Strafrecht) zou het zelf op moeten ruimen: CHU-woordvoerder J.R. Slotemaker de Bruïne, een vroom godgeleerde was in 1932 al tegen: niet-gelovigen konden immers niet de intentie hebben God te smaden. Omtrent het zeer gelaagde artikel 23 omtrent de onderwijsvrijheid zou het CDA primair moeten uitzoeken wat in ons aller belang is: welke vrijheden delen we hier samen en vinden we allemaal belangrijk? Zo’n benadering is veel overtuigender dan wanneer men de indruk wekt de belangen van een specifieke groep te verdedigen.

De gewone burger hecht aan de eigen culturele tradities. De tijd dat mensen zich door meneer pastoor lieten gezeggen, ligt ver achter ons. Zo hebben ze ook geen zin om zich door een politieke partij de les te laten lezen. De christendemocratische visie hamerde er dogmatisch op dat de maatschappij dingen zelf moest regelen. Juist dat leidde onbedoeld tot het moralisme van Balkenende: in plaats van te vertellen welke stappen hij als politicus ging nemen hield hij mensen het belang van waarden en normen voor, vage termen zonder heldere inhoud. Dat werkte even, maar mensen willen niet doorlopend vanuit Den Haag beknord worden.

Het populisme is de grootste concurrent van het CDA. Het is een uitvloeisel van een mediawerkelijkheid, waardoor concrete problemen in Amsterdam-Geuzenveld of de Utrechtse wijken Zuilen of Kanaleneiland ineens deel worden van het leven van mensen in Moersgestel, Winschoten of Sittard. Het populisme is vooral een kwestie van reclame: aandachttrekken door te hameren op thema’s die mensen weliwaar van tv en internet kennen, maar die met hun alledaagse leven in werkelijkheid weinig te maken hebben. Bij dat dagelijkse leven zal het CDA aan moeten sluiten.

Mensen leven niet alleen in de wereld van de media, maar primair in hun eigen dorp, stad en regio. Het platteland is de laatste decennia enorme geëmancipeerd en ook in de media veel meer aanwezig met eigen cultuuruitingen. De tegenstellig tussen stad en platteland is daardoor veel geringer geworden. Als het CDA aansluiting bij de concrete leefwereld van mensen weet te vinden, zou het ook in de grotere steden weer voet aan de grond kunnen krijgen.

Het idee van de verantwoordelijke maatschappij met de nadruk op democratisering van maatschappelijke instellingen was te abstract. Die instellingen zijn vaak groot en overzichtelijk geworden. Mensen voelen hoe de greep hun ontsnapt. Van het populisme kan het CDA leren dat je gewoon rechtstreeks moet vertellen hoe als overheid je problemen inzake zorg, onderwijs en veiligheid wilt aanpakken. Met rechts en links heeft dat weinig te maken. Het populisme heeft laten zien dat rechtse en linkse thema’s moeiteloos verbonden worden en het CDA zou zich dan ook zelfbewust als een partij met een veelheid aan concrete ideeën moeten presenteren. Er is vaak gelachen om de ‘VOC-mentaliteit’ die Balkenende propageerde en misschien was zijn voorbeeld niet in alle opzichten gelukkig, maar hij zat wel degelijk in de goede richting.

De afgelopen weken hebben getoond hoe schadelijk het onderdrukken van werkelijk debat in het CDA gedurende de laatste jaren was. Onafhankelijk geesten werden aan de kant gezet. Het gevolg was dat kritiek nu niet tot discussie leidde, maar tot verdachtmakingen, waarbij een groot deel van de oude garde het ontgelden moest. Mogelijk dat de grote crisis die de partij nu doormaakt, werkelijk tot bezinning kan leiden.

Als het CDA werkelijk let op wat er aan positieve morele intuïties in het traditionele deel van de maatschappij schuilt, heeft ze grote kansen. Het CDA zou een Nederlandse pendant van de Beierse CSU of de Engelse Conservatieve Partij kunnen worden. Door op een moderne, niet-moraliserende wijze de erfenis van het christendom te verbinden met de zegeningen van de seculiere moderniteit zou het CDA eindelijk de conservatieve, traditionele volkspartij kunnen worden waar vele moderne mensen vertrouwen in willen stellen.

.:.

 

De reactiemogelijkheid is gesloten