Een aangename verrassing. Maar voorlopig blijf ik elders

Het nieuwe jaar, 2012, begon met een aangename verassing. Ik kon weer in het menu van mijn oude weblog, deze dus.

In augustus 2011 raakte ik de beheersing erover kwijt door de verhuisproblemen bij Weblog.nl, tot dan bekend als Web-log.nl (met het streepje). Toen de problemen aanhielden, ben ik op 10 oktober verder gegaan op WordPress met een nieuwe weblog, jandirksnel.wordpress.com. Daar kunt u dus mijn stukjes van de laatste maanden vinden. En voorlopig blijk ik daar ook maar.

Het aardige is overigens dat Weblog.nl is overgegaan op het systeem van WordPress, zodat het nieuwe menu direct bekend voorkomt. Maar de teksten zien er na de verhuizing niet geheel ongeschonden uit. De komende weken ga ik de ongeveer vijfhonderd stukjes die ik hier tussen mei 2005 en juli 2011 geplaatst had, eerst maar eens doorkijken en weer op orde brengen. Het valt me nu bijvoorbeeld op dat diverse stukjes twee keer geplaatst zijn en ik moet nog uitzoeken waarom dat zo is.

Tegelijk ga ik dan eens bekijken welke het verdienen toegankelijk te blijven en welke de tand des tijds niet doorstaan hebben of om andere redenen beter onzichtbaar gemaakt kunnen worden. Ook zal ik de categorieën opnieuw toe moeten voegen en tags aan moeten brengen, waarbij ik meteen kan kijken of de oude indeling nog voldeed. En ik zal nog eens naar de opmaak en andere frutsels, die geloof ik widgets of zo heten, en naar menu-opties kijken.

Ik heb wel de indruk dat enkele stukjes die altijd nog wel in het menu stonden, maar om die om een of andere reden onzichtbaar waren gemaakt, weg zijn, maar misschien is dat maar het beste ook. Ik denk wel dat daar ook wat stukjes bij waren die nooit zichtbaar waren gemaakt, maar waarin aanzetten stonden die nog eens uitgewerkt moesten worden, daarbij ook verdwenen zijn, maar ook dat moet ik nog uitzoeken. En als ik er al zo lang niet meer aan gedacht had of er iets van gemaakt had, is dat misschien ook niet zo erg. Ik ben vooral blij dat ik weer bij de 553 stukjes kan, die ooit wel gepubliceerd zijn.

Maar om het kort te houden: voorlopig zult u mijn nieuwe stukjes dus moeten zoeken op mijn nieuwe weblog Jan Dirk Snel. Daar heb ik tussen 10 oktober 2011 en 31 oktober 2011, in een periode van 83 dagen dus, al 45 bijdragen geplaatst. En vandaag had ik daar mijn eerste stukje van 2012 geplaatst, dat toepasselijk Een gelukkig Nieuwjaar! Over het persoonlijke als cliché heet. Ik hoop dat u daar eens langs komt kijken.

Hier zal de komende weken vooral van alles achter de schermen en in de bestaande stukjes gebeuren, waarbij ik overigens niet van plan ben ze inhoudelijk te wijzigen, al kan ik me voorstellen dat toevoegingen bij het nalezen een enkele keer noodzakelijk zullen blijken te zijn, maar inhoudelijke wijzigingen zal ik dan ook nadrukkelijk aangeven.

Een verwrongen beeld van de werkelijkheid

Hieronder volgt de volledige versie van het stukje dat vanochtend ingekort in Trouw verscheen.

De dag na de gruwelijke aanslagen die Anders Breivik in Noorwegen pleegde, laaide de discussie op over verhouding tussen de moordenaar en de ideologische kring waartoe hij gerekend kan worden. De aanleiding lag er natuurlijk vooral in dat bij eerdere aanslagen – en in Nederland wordt dan vooral gedacht aan de moord op Theo van Gogh door Mohammed Bouyeri – sommigen de geloofsgenoten van de dader op de daad meenden aan te moeten spreken. Als moslims toen verantwoordelijk werden gehouden voor zijn daad of als ze althans gevraagd werd om zich ervan te ‘distantiëren’, kunnen we dan nu de overige dragers van het nieuwrechtse ideeëngoed dat Breivik aanhing, ook zo behandelen?

Mijn indruk is dat de vraag vooral werd opgeworpen om de onzinnigheid van de parallel te laten zien; nieuwrechts kreeg bij wijze van gedachte-experiment een koekje van eigen deeg. Anderen daarentegen vonden zelfs dit al veel te ver gaan en legden er de nadruk op dat het dit ene individu was dat deze gruweldaden begaan had.

Hoe moeten we dit zien? Wat is de verhouding tussen Breiviks daden en zijn ideeën en hoe is dan de verhouding tot andere dragers van die ideeën?

Breivik gebruikte geweld. Deed hij dat omdat hij geweld leuk vond of zomaar ineens de kluts kwijtraakte? Nee, hij had zijn daden jarenlang voorbereid. Hij had er goed over nagedacht en hij beschikte dus over een theorie die zijn daden rechtvaardigde. Dat zien we bij terrorisme vaak. Er bestaat een ethiek van het terrorisme. Terroristen handelen moreel doordacht en hebben een sluitende rechtvaardiging voor hun oorlogshandelingen.

Breivik wilde kennelijk een gevaar afwenden: de komst van Eurabië, de politiek waarbij Europa naar zijn idee verkwanseld werd. Hij viel mensen aan – de Noorse regering, sociaaldemocratische jongeren – die volgens hem voor die politiek verantwoordelijk waren. In die zin moet zijn daad in zijn theorie dan ook als een daad van zelfverdediging gezien worden.

Dat is een bekende denkfiguur. De gewelddadige salafisten die de aanslagen van 9/11 in New York rechtvaardigden, gingen ook uit van die gedachte: de Verenigde Staten hadden met de aanwezigheid van troepen op het Arabisch schiereiland heilige grond geschonden en in die zin een aanval gepleegd. De aanslagen op het WTC en het Pentagon waren niet anders dan een tegenaanval – een uiting van defensieve jihad – tegen een macht die zelf de aanval had geopend. En omdat Amerika een democratie is, werden al die toevallige burgers in die gebouwen medeverantwoordelijk geacht voor de handelingen van hun eigen regering: het waren dus vijandelijke soldaten. En Mohammed Bouyeri meende blijkens zijn brief aan Hirsi Ali dat ‘de Nederlandse politiek gedomineerd wordt door vele Joden’.

Er zullen weinig mensen zijn die Breiviks rechtvaardiging van moord delen of goedpraten. Daarvoor is alleen hij verantwoordelijk. En alleen mensen die zijn gruweldaden ideologisch verantwoorden of goedpraten en dus al zijn ideeën delen, kunnen daarop worden aangesproken, zoals ook alleen diegenen die de gewelddadige ideologie van Mohammed Bouyeri deelden, daarop konden worden beoordeeld.

Maar er is meer. Breiviks rechtvaardiging van geweld komt voort uit een bepaald beeld van de werkelijkheid. Het is een beeld waarbij Europa bedreigd wordt door multiculturalistische politici en door de islam. Het 1500 pagina’s tellende pamflet 2083 A European Declaration of Independence onder het pseudoniem Andrew Berwick staat vol met de bekende theorieën uit de nieuwrechtse kring waarin in Nederland de PVV de vertegenwoordiger is. Het gaat vooral om een verwrongen wereldbeeld waarin Europa bedreigd zou worden door de islam. Berwick/Breivik haalt Geert Wilders aan die beweerde dat Marokkanen Nederland zouden koloniseren en niet kwamen om te integreren, maar om Nederlanders te onderwerpen. De theorieën over het gevaar van het ‘cultureel marxisme’ komt men zo ook tegen bij PVV-ideoloog Martin Bosma.

Het gaat om een verwrongen beeld van de werkelijkheid, dat niets met de concrete maatschappelijke realiteit te maken heeft. Het is dit wereldbeeld waaruit Breivik zijn gewelddadige conclusies getrokken heeft. Voor die gevolgtrekkingen is hij zelf verantwoordelijk. Maar dat hij in zijn manifest anderhalf duizend bladzijden vol met allerlei waanzinnige ideeën bij elkaar kon plukken, zegt veel over de geestelijke toestand van Europa en het zegt veel over Nederland waar een beweging waarin zulke ideeën courant zijn, via een gedoogakkoord bij de regering is betrokken.

Het geweld van Breivik was zíjn daad. Daarvoor is hij alleen verantwoordelijk. Maar zijn waanzinnige, leugenachtige wereldbeeld deelt Breivik met meerderen. Daarop dienen nu alle aanhangers aangesproken te worden. Het verspreiden van leugens, het creëren van schrikbeelden die onwaar zijn, is niet zo onschuldig. Wie bewust de waarheid verdraait, dient niet serieus genomen te worden als een van de vele stemmen in het maatschappelijke debat. Die hoort streng aangepakt te worden. Die mag gevraagd te worden te stoppen met het misleiden van mensen. Dat geldt voor de Nederlandse populisten die het nieuwrechtse gedachtegoed uitdragen.

Het speelkwartier is voorbij. Het is tijd voor de waarheid.

Homohuwelijk en weigerambtenaren – Nog vier opmerkingen

.:.

Het lijkt me goed als ik even inga op enkele vragen die me al dan niet via Twitter bereikten over mijn vorige stukje hier, getiteld ‘Homohuwelijk en weigerambtenaren – Over de fantasie van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste’. Ik ga op vier punten in.

 

I. De brief van het ministerie van OCW

De eerste vraag is die naar de juiste interpretatie van de brief van of namens de plaatsvervangend secretaris-generaal van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die gisteren ook al ter sprake kwam en waar ik ook toen al naar linkte. De vraag is dan met name of ik de derde alinea wel recht doe. Ik zal daarom nog eens uitvoeriger op de brief ingaan.

Inhoudelijk bestaat de brief uit drie alinea’s, waarna dan in een vierde alinea, die hier niet relevant is, enkele afsluitende opmerkingen worden gemaakt. De structuur van de brief is helder. In de eerste alinea worden twee vragen opgeworpen. De eerste daarvan wordt in de tweede alinea beantwoord en de tweede in de derde alinea.

De anonymus die het bestuurlijk standpunt van de minister wilde weten, had kennelijk twee vragen gesteld over twee verschillende situaties.

(1) Mogen ambtenaren met een beroep op gewetensvrijheid weigeren om een huwelijk tussen homoseksuelen te sluiten?
(2) Mogen ambtenaren met een beroep op gewetensvrijheid weigeren om een huwelijk tussen partners met verschillende (etnische, religieuze) achtergronden te sluiten?

[1] Op de eerste vraag geeft de tweede alinea een antwoord. Dat luidt dat de rijksoverheid ‘gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand’ niet kan ‘dwingen om mensen van hetzelfde geslacht te trouwen.’ ‘Gemeenten hebben tenslotte een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het personeelsbeleid.’ In de eerste zin is nog wel gezegd dat in Nederland, ‘dat van oudsher een tolerant land is’, ‘ruimte’ moet zijn voor gewetensbezwaarde ambtenaren. Dat is alles wat betreft het antwoord op de eerste vraag, die uitsluitend over zeer bepaalde bezwaren gaat. Over de gronden van die bezwaren, uit welke levensbeschouwing of motivering ze eventueel voortkomen, wordt hier helemaal niets gezegd.

[2] Dan de tweede vraag, die in de derde alinea beantwoord wordt. Die gaat over bezwaren tegen geheel iets anders, namelijk over bezwaren van ambtenaren om – in de woorden van de vraagsteller – ‘bijvoorbeeld kleurlingen met blanken of joden met niet-joden’ te huwen. De brief heeft het in de eerste alinea over een ‘huwelijk tussen partners met verschillende (etnische, religieuze) achtergronden’.

Uit het citaat van de vraagsteller blijkt dat hij daarbij niet doelt op alle ambtenaren, maar op ‘ambtenaren met bepaalde andere geloofs- dan wel levensovertuigingen’. Andere: dat woord maakt het waarschijnlijk dat hij eerder in zijn brief over een of meer ‘geloofs- dan wel levensovertuigingen’ heeft geschreven, maar uit de antwoordbrief van het ministerie kunnen we niet opmaken in welk verband dat was en over welke geloofs- of levensovertuiging(en) het dan eventueel ging. Het is op zich niet onwaarschijnlijk dat de vragensteller in verband met zijn eerste vraag over – onder meer – christelijke overtuigingen heeft geschreven, maar we weten dat niet. De antwoordbrief van het ministerie gaat daar niet op in: die maakt anders dan de vragensteller geen onderscheid tussen overtuigingen.

Het antwoord op de vraag van de anonymus is tweeledig.
(a) Allerereerst blijkt dat men de concrete bezwaren waar hier naar gevraagd wordt, imaginair acht. Men kent ze niet. ‘Voor zover mij bekend is er geen godsdienst waarmee dergelijke verbintenissen op gespannen voet staan. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat een ambtenaar van de burgerlijke stand zou weigeren een dergelijk huwelijk te sluiten met een beroep op gewetensbezwaren.’ Het antwoord gaat hier over alle godsdiensten in het algemeen, niet over bepaalde ‘andere’ – ook al weten we niet op welke ‘andere’ de brievenschrijver doelde. Het eerste antwoord komt erop neer dat men niet weet van bezwaren tegen het sluiten van huwelijken van partners met verschillende etnische of religieuze religieuze achtergronden.
(b) Maar mochten zulke bezwaren toch voorkomen, dan worden ze niet erkend: ‘In het geval dat een dergelijke situatie zich onverhoopt zou voordoen, kunnen ambtenaren van de burgerlijke stand geen beroep op gewetensbezwaren doen.’ Geen enkele overtuiging kan hier een grond vormen en dan maakt het niet uit of die atheïstisch, hindoeïstisch of christelijk is. Geen enkele is geen enkele.

Het is helder. De brief geeft antwoord op twee verschillende soorten bezwaren, tegen verschillende handelingen. Bij de behandeling van het eerste bezwaar zegt de brief niets over de gronden van de bezwaren. Bij het tweede soort bezwaren zegt de brief dat men ze niet kent, maar mochten ze zich toch voordoen, dat ze dan niet erkend worden. Ten aanzien van geloofs- of levensovertuigingen wordt in de brief geen enkel verschil gemaakt. De briefschrijver heeft het daar kennelijk wel over gehad, maar de antwoorden volgen hem daarin niet en zijn algemeen van aard.

En het antwoord op de tweede vraag (in de derde alinea) zegt helemaal niets over het antwoord op de eerste vraag (in de tweede alinea).

 

II. Gelovigen versus seculieren?

Een tweede punt dat soms ter sprake komt, is dat het hier over gelovigen versus, zeg, seculieren zou gaan. Het stuk van Duyvestijn en Kleinpaste van gisteren gaat sterk van die tegenstelling uit. Ze beklagen zich over het ‘voortrekken van gelovigen’. Maar de tegenstelling deugt niet.

Het gaat gewoon om mensen die concrete gewetensbezwaren hebben. Gezien de verhoudingen in Nederland lijkt het me empirisch zeer waarschijnlijk dat veel van die gewetensbezwaarden een bepaalde geloofsovertuiging hebben en het is ook niet onwaarschijnlijk dat ze zelf een zeker verband met hun bezwaren leggen. Maar dan nog kan het gaan om geheel verschillende overtuigingen. Bij mijn weten bestaat er alleen al geen eenduidige christelijke ethiek en mensen kunnen ook vanuit andere religieuze en levensbeschouwelijke achtergronden bezwaren hebben. In dit concrete geval kan men al snel een zekere natuurrechtelijke of naturalistische tendens in de morele overwegingen verwachten en in die zin is het principieel allerminst gezegd dat een bezwaarmaker per se aanhanger is van een bepaalde godsdienstige richting. Maar nogmaals, dat dat empirisch vaak het geval zal zijn, dat lijkt me waarschijnlijk. En omdat werkzaamheden vooral praktisch verdeeld kunnen worden, doet de aard en de grond van het bezwaar er ook niet zo toe; men hoeft geen juridische procedures te voeren om het werk aan verschillende mensen toe te vertrouwen.

Maar principieel deugt de tegenstelling niet. Niet alleen omdat de bezwaren niet per se religieus hoeven te zijn, maar ook niet omdat natuurlijk lang niet alle mensen met een godsdienstige overtuiging bezwaren tegen het sluiten van een homohuwelijk hebben. Het is niet zo dat christenen of moslims of anderen allemaal massaal bezwaar zouden maken. Sommige kerken gingen de overheid voor in het erkenen van homohuwelijken en nog steeds worden zulke huwelijken in kerkelijke gemeenten gevierd. Er zijn heel wat voorgangers en leden van religieuze organisaties die zelf een homohuwelijk – raar woord, maar ik gebruik het toch maar – gesloten hebben of die met iemand van het zelfde geslacht samenleven. Ik kom ze in mijn vrienden- en kennissenkring regelmatig tegen. En sommigen van hen beklimmen regelmatig kansels om van daar het kerkvolk toe te spreken.

Het idee dat het hier om gelovigen versus ongelovigen zou gaan, is dan ook onjuist. Al eerder heb ik Thijs Kleinpaste op zo’n generaliserend misverstand betrapt. In dit geval gaat het om gewetensbezwaren van bepaalde mensen, die allerlei overtuigingen aan kunnen hangen, en die men wel of niet kan willen erkennen. Dat is alles.

 

III. Discrimineren ambtenaren?

Een opmerking die ik ook wel voorbij zag komen, is dat ambtenaren die gewetensbezwaren hebben tegen het sluiten van homohuwelijken, zouden discrimineren.

Let wel, dit is iets anders dan de bewering dat erkenning van gewetensbezwaren zou betekenen dat sommige ambtenaren voorgetrokken zouden worden en dat hun collega’s daarmee gediscrimineerd zou worden. Daar heb ik het de vorige keer al over gehad. Het valt moeilijk in te zien waarom een ambtenaar die met plezier homohuwelijken voltrekt, zich gediscrimineerd zou kunnen voelen, als een collega dat liever niet doet.

Maar nu de vraag of zogenaamde weigerambtenaren – voor de helderheid gebruik ik de term toch maar, al besef ik dat sommigen protesteren – homo’s zouden discrmineren. Mij lijkt dat een absurde voorstelling. Mensen die willen trouwen, kloppen aan bij de overheid en die gaat op hun verzoek in. De overheid mag niet discrimineren, die hoort iedereen in gelijke gevallen gelijk te behandelen, dat is de betekenis van het eerste artikel van de Grondwet en dat doet ze ook niet – of juist wel, als we op de tweede, positieve formulering letten. Als intern bezwaren erkend worden, dan heeft dat niets met discriminatie van huwelijkskandidaten te maken. Het is niet zo dat een trouwlustig paar de trouwzaal betreedt en daar plotseling geconfronteerd wordt met een ambtenaar, die ineens weigert om de plechtigheid uit te voeren.

Wat ik uiteraard wel begrijp, is dat mensen zich gekwetst kunnen voelen door het gegeven dat wat voor hen een wens is, iets positiefs, voor anderen iets is waar ze niet aan mee willen werken. Mensen willen erkenning of zoeken bevestiging en dat geldt ook voor homoseksuelen. En mensen die hun levensverbintenis moreel afkeuren, onthouden hun die erkenning. Dat kan pijnlijk zijn. Hier doet zich primair een botsing voor tussen twee morele opvattingen. Zoals zogenaamde weigerambtenaren erkenning vragen voor hun morele bezwaren, willen sommige homo’s in feite erkenning van de overheid dat hun relatie juist is en vinden ze dat de overheid niet toe moet geven aan andere opvattingen daarover. Het gaat hier om erkenning versus erkenning.

Dat verklaart waarschijnlijk ook de verbetenheid waarmee van beide kanten soms gereageerd wordt. Er staat voor mensen iets op het spel dat hun diepste wezen raakt.

 

IV. Juridisch en moreel

Zakelijk blijft de vraag inderdaad wanneer de overheid bepaalde gewetensbezwaren van ambtenaren moet erkennen en wanneer niet. Daarover kan men van mening verschillen. Het gaat dan om een normatieve vraag, die in mijn stukje van gisteren pas tegen het eind aan de orde kwam. Mijn feitelijke analyse in het voorgaande stond daar geheel los van.

Ik wil daarbij nog kort iets verduidelijk en misschien toevoegen. Het huwelijk kent vele aspecten, maar in dit geval is vooral het onderscheid tussen het juridische en het morele aspect aan de orde. ‘Moreel’ kan men hier ook lezen als symbolisch, persoonlijk en wat al dan niet meer. Wat precies is hier niet zo van belang: ik doel op alles dat niet-juridisch is. Voor de overheid zijn in feite alleen de juridische aspecten van het huwelijk van belang en mijn opvatting is dan ook dat ze zich daar bij huwelijkssluitingen toe zou moeten beperken. En als ze dat deed, dan zou ik ook geen enkele reden zien om gewetensbezwaren te erkennen. Ambtenaren en ook rechters moeten nu eenmaal wel vaker wetten uitvoeren waar ze het niet mee eens zijn.

Gisteren was ik inzake dat juridische aspect misschien wel erg streng. Ik heb daar nog eens over nagedacht. Het kan natuurlijk ook best iets uitvoeriger en feestelijker dan ik toen voorstelde, maar de kern lijkt me dat bij de plechtigheid alleen de juridische aspecten centraal moeten staan. Dat zou kunnen door standaardteksten op te stellen die daar over gaan. Maar het persoonlijke, symbolische, morele aspect zou buiten beschouwing moeten blijven. Geen gedichten van Vasalis of Toon Hermans, geen persoonlijke toespraken. Daar zoeken mensen maar een andere gelegenheid voor. Daarvoor waren kerken nou ook juist bedoeld. Als mensen hun huwelijk niet meer in een kerk willen laten inzegenen, is dat hun goed recht, maar dan moeten ze maar iets anders verzinnen. Er zijn genoeg ondernemers die iets leuks willen verzinnen. Ik zie echt niet in waarom de overheid als evenementenbureau zou moeten optreden.

Zolang de overheid dat wel doet, pleit ik voor een soepele omgang met het bij elkaar brengen van de huwelijkskandidaten en de uitvoerend ambtenaar van de burgerlijke stand. De nadruk hoort niet te liggen op het niet willen, het weigeren, maar op het wel willen. Toen ik op Google even zocht op ambtenaar van de burgerlijke stand, was een van de eerste treffers een interview met een buitengewoon ambtenaar die blijkens de inleiding al een huwelijk ‘onder water’ sloot. Ik heb de rest van het verhaal niet gelezen, maar het lijkt me dat je ook niet van elke ambtenaar mag vragen dat die zich voor een huwelijkssluiting in het water begeeft. Ik vind het echt van de gekke en ik ben van mening dat huwelijken vanwege hun juridische karakter – dat is voor de overheid het enige relevante punt – nooit buiten een gemeentehuis of althans een overheidsgebouw gesloten zouden mogen worden, maar zolang de overheid optreedt als medewerker aan of facilitator van allerlei ongein, vind ik dat ze soepel moet zijn in het regelen van huwelijken. Hoe vaak zien we in de krant geen foto van bekende Nederlanders die door een goede vriend in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand in de echt worden verbonden? Dat is dan echt geen ambtenaar die ‘nu eenmaal’ zijn werk doet. In deze omstandigheden – die ik dus op zich fout acht – is er niets op tegen dat trouwlustige hindoestanen een ambtenaar zoeken die hun achtergronden goed aanvoelt, zoals er dan – en alleen dan – ook niets op tegen is dat Henk Krol als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand zich kennelijk vooral op homostellen richt. Maar geef dan ook anderen een kans. Geef ook mensen met andere morele opvattingen de gelegenheid om stellen te trouwen die ongeveer gelijke opvattingen hebben. Henk Krol zijn feestje als overheidsdienaar? Dan vrome bevindelijken ook, zou ik zeggen.

Kortom, ik ben dus eigenlijk tegen weigerambtenaren en ik vind de erkenning van gewetensbezwaren alleen maar juist omdat de overheid van huwelijkssluitingen zulke merkwaardige feesten heeft gemaakt. Als een huwelijkssluiting inderdaad zoiets was als een bouwvergunning regelen, dan was het echt iets anders. Maar dat is het niet.

 

Een persoonlijke noot

Wie a zegt, moet ook b zeggen. Het leek me het handigst om op opmerkingen, die op prijs worden gesteld, maar even zo te reageren. Maar ik weet niet of ik verder nog op dit punt zal ingaan. Dit kost handenvol tijd – ik heb ook nog een vragensteller die zeer lang van stof was, afzonderlijk beantwoord –  en het gaat over een zaak die me persoonlijk niet aangaat. Ik heb geen gewetensbezwaren en ik kan me ook niet zo goed voorstellen hoe die in elkaar steken. Maar ik besef dat ze bestaan en het lijkt me dat we in een open maatschappij mensen recht moeten doen. Dat geldt voor homo’s die niet gediscrimineerd willen worden, en dat geldt voor mensen die andere – op zich trouwens zeer bekende, want traditionele – opvattigen hebben. De vraag is hoe we als mensen met verschillende morele opvattingen samen kunnen leven en elkaar ruimte kunnen gunnen.

Het merkwaardige van het huidige gelijkheidsdenken is dat het vaak betekent dat men iedereen in dezelfde mal wil persen. Als men al vindt dat een ander meer vrijheid zou hebben, dan lijkt me eerder dat men zelf moet vragen om dezelfde vrijheden, dan dat men de ander zijn vermeende vrijheden af moet pakken. Als je het zo formuleert, is het direct ook de vraag of die ander nou echt wel meer vrijheden heeft. Betekent de erkenning van de gewetensbezwaren van een ander, die ik niet heb, dat ik minder vrijheid heb? Denk het niet. Betekent het maken van een uitzondering voor iemand die daar groot belang bij heeft – zeg, het kunnen nuttigen van kosjer vlees -, dat ik daarmee in mijn vrijheid beknot wordt en dus ongelijk behandeld word? Lijkt me niet.

De vraag naar de vrijheid, de vrijheid van de ander, beroert me, omdat ik steeds meer zie hoe die vrijheid door een niet doordacht doctrinair denken in het nauw komt. Maar in mijn persoonlijke geval gaat het echt ook om de vrijheid van anderen, niet om mijn vrijheid. Ik kom daar graag voor op, maar de wereld is groter en er zijn andere thema’s. Ik moet er echt nog eens over nadenken of ik steeds op dit soort punten in zal willen gaan. Nederland is weliswaar een interessant moreel laboratorium, dat nogal afwijkt van de rest van de wereld – en al naar gelang de zienswijze zal men dan over voortuitlopen spreken of juist een andere term kiezen -, het is ook nogal een klein land.

Soms denk ik dat ik mijn tijd beter aan die veel grotere wereld kan besteden.

.:.

Posted in Geen categorie

Homohuwelijk en weigerambtenaren – Over de fantasie van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste

.:.

Laat ik met de feiten beginnen.

Vanmorgen publiceerden Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste een stuk in de Volkskrant, ‘De gelovige geniet te veel privileges’. Met een spelfout in de titel is het ook opgenomen op de website van de tweede. Zo begint het tweetal:

Vorige week onthulde GeenStijl dat minister Van Bijsterveldt toegeeft dat mensen die in Allah of God geloven 'gewetensbezwaard' mogen zijn bij het sluiten van een homohuwelijk. Alle anderen mogen dat niet. Merkwaardige discriminatie.

Klopt dat? Nee, natuurlijk niet. En het is ook niet zo moeilijk om dat even na te gaan. Op de beruchte scheld- en haatsite schreef ene Bert Brussen vorige week een stukje ‘Ministerie: 'Weigerambtenaar exclusief christelijk'.’ Een persoon die anoniem blijft, had vragen aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gesteld over de gronden waarop ambtenaren mogen weigeren een huwelijk te sluiten. En dan vervolgt het stukje:

En wat was het antwoord van de minister? "Neen, niet iedereen mag weigerambtenaar zijn. Alleen christenen hebben dat exclusieve recht". DISCRIMINATIE! Christenen worden voorgetrokken! De huwelijksopvattingen van hunnie zijn meer waard dan de opvattingen van zullie! Dit is dus niet eerlijker hè. Dit is een bordje op je juwelierszaak hangen met de mededeling: "Alleen welkom voor christenen". En dat bij een seculiere overheid. Bah.

Gelukkig is de brief van de plaatsvervangend secretaris-generaal bijgevoegd. Daarin staat alleen dat er in Nederland ruimte moet zijn voor gewetensbezwaarde ambtenaren:

De rijksoverheid kan gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand niet dwingen om mensen van hetzelfde geslacht te trouwen.

Dat is alles. Met geen woord wordt gesproken over de motieven van de gewetensbezwaarden. De samenvatting van de stukjesschrijver van GeenStijl is ongefundeerd en berust op slordig of kwaadwillend lezen. Onzin. Flauwekul. GeenStijl ‘onthulde’ helemaal niets. Punt uit. Duyvestijn en Kleinpaste laten hun verbeelding nog iets verder op hol slaan door God ook nog eens in het Arabisch te benoemen als Allah, waarmee ze dus de moslims toevoegen. Maar ook die worden echt niet in de brief van het ministerie genoemd. Pure fantasie dus. Maar de auteurs volharden in hun hardnekkige misverstand:

Een overheid die de term 'gewetensbezwaard' steeds als konijn uit de hoge hoed trekt voor een ambt dat iemand vrijwillig kiest, en deze uitzondering bovendien alleen toestaat voor godsvruchtige mensen, kan niet blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden.

Steeds? Daar zouden ze dan toch eens voorbeelden voor moeten geven. Een stuk of twintig, dertig lijken me voorlopig wel voldoende. Maar wat vooral opvalt, is hoe slordig de twee auteurs redeneren. In de rest van de zin doen ze twee beweringen:

(1) De overheid staat een bepaalde uitzondering alleen toe aan ‘godsvruchtige’ mensen.
(2) Door een bepaalde uitzondering toe te staan kan de overheid niet blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden.

(1)

De eerste bewering heb ik al gedeeltelijk bekeken. De brief van het ministerie repte nu in ieder geval met geen woord over een mogelijke overtuiging. Het enige wat telt, is dat ambtenaren gewetensbezwaren hebben om een bepaalde handeling uit te voeren. Het gaat dus in de eerste plaats om de handeling, om het doel, niet om de motieven voor weigeren.

Bij de behandeling van het voorstel om de wet open te stellen voor mensen van hetzelfde geslacht, schreef staatssecretaris Job Cohen in november 2000 in zijn Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer:

Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aan de orde geweest de positie van ambtenaren van de burgerlijke stand die ernstige gewetensbezwaren hebben tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht. Ik heb daarvoor praktische oplossingen voorgesteld met als uitgangspunt dat in iedere gemeente een huwelijk, ook een huwelijk van personen van hetzelfde geslacht, voltrokken moet kunnen worden. Ik heb mij hierover intussen verstaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB). Zij kunnen zich vinden in de praktische oplossingen die ik voorsta (zie Handelingen II 6 september 2000, p. 98–6393 en mijn brief van 14 november 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, kenmerk 5061 786/00/6). Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen hetero- en homoseksuele gewetensbezwaarde ambtenaren. Het gaat erom dat een ambtenaar van de burgerlijke stand, in het algemeen vanwege godsdienstige overtuigingen, ernstige gewetensbezwaren heeft tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht.

Hier zette Cohen de lijn uit, die nu nog steeds gevolgd wordt. Een ambtenaar van de burgerlijke stand die ernstige gewetensbezwaren heeft tegen het sluiten van een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht, hoeft dat niet te doen, maar zo’n huwelijk moet wel in iedere gemeente voltrokken kunnen worden. Niemand wordt dus gediscrimineerd, want iedereen die daar om vraagt, ontvangt van iedere gemeente in Nederland dezelfde behandeling. Het enige is dat gemeenten in de interne organisatie rekening kunnen houden met de gewetensbezwaren van ambtenaren.

Er is nog iets. Cohen merkt op dat zulke ambtenaren ‘in het algemeen vanwege godsdienstige overtuigingen’ bepaalde bezwaren zullen hebben. In het algemeen: dat is iets anders dan uitsluitend. Het gaat om een praktische, feitelijke constatering, maar ze sluit niet uit dat iemand op basis van opvattingen die hij zelf niet religieus zou noemen, een beroep op gewetensbezwaren zou kunnen doen. Ook die mogelijkheid is er kennelijk.

Ik citeer nog even twee andere teksten. Allereerst is daar het Hoofdlijnenakkoord voor het kabinet CDA, VVD, D66 uit mei 2003. Daarin staat dit:

Overeenkomstig het destijds geformuleerde beleid brengt zorgvuldige omgang met gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand met zich dat in onderling overleg in plaats van de gewetensbezwaarde een andere ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voltrekt, mits in elke gemeente de voltrekking van een dergelijk huwelijk mogelijk blijft.

En in het Coalitieakkoord tussen de Tweede Kamerfracties van CDA, PvdA en ChristenUnie van februari 2007 vindt men deze passage:

Overeenkomstig het destijds geformuleerde beleid brengt zorgvuldige omgang met gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand met zich dat in onderling overleg in plaats van de gewetensbezwaarde een andere ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voltrekt, mits in elke gemeente de voltrekking van een dergelijk huwelijk mogelijk blijft. Mochten er in de gemeentelijke praktijk problemen ontstaan, dan zullen initiatieven worden genomen om de rechtszekerheid van gewetensbezwaarde ambtenaren veilig te stellen.

In geen van deze teksten wordt over de motieven gerept. Er is geen enkele sprake van dat de overheid alleen aan ambtenaren met een (bepaalde) religieuze overtuiging een uitzondering toestaat. Het gaat erom dat ze bezwaren hebben tegen het uitvoeren van een bepaalde handeling. De motivering kan daarbij verschillend zijn. Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste vergissen zich feitelijk.

Daardoor is de rest van hun betoog op dit punt dan ook niet relevant. Ze komen met andere voorbeelden aan: over bezwaren tegen vertoon van excessieve rijkdom bij huwelijkskandidaten of bezwaren tegen hun levensovertuiging. Het verband is onhelder. Voor zover bekend hebben dergelijke bezwaren zich nooit in de praktijk voorgedaan. Ook de briefschrijver aan het ministerie heeft kennelijk naar dergelijke niet-bestaande situaties gevraagd. We zien hier wat we ook al in het debat over het verbod op onbedwelmd ritueel slachten zagen: dat men de aandacht probeert af te leiden door onzinnige voorbeelden te verzinnen. De filosoof Bas Haring bestond het toen zelfs om te zich af te vragen wat je moest doen als godsdienst voorschrijft ‘om koeien voor de slacht eerst ritueel in de bek te plassen’. De banaliteit spreekt boekdelen.

Hier is het gehalte van de voorbeelden niet veel beter. Het blijft onduidelijk wat het erkennen van een zeer bepaald gewetensbezwaar te maken heeft met het mogelijk erkennen van andere mogelijke gewetensbezwaren. Als die zich wel aandienen, zal daar eventueel afzonderlijk over gesproken kunnen worden.

 

(2)

Dan de implicatie die de auteurs menen te zien: door een bepaalde uitzondering toe te staan zou de overheid niet kunnen blijven doen alsof alle overtuigingen en alle mensen gelijkwaardig behandeld worden.

In navolging van de stukjesmaker op GeenStijl, die iets over ‘verregaande overheidsdiscriminatie’ schreeuwt, reppen Duyvestijn en Kleinpaste al in hun eerste alinea over ‘discriminatie’. We hebben gezien dat die kwalificatie op een feitelijk misverstaan berust. Het is niet zo dat alleen van bepaalde mensen de gewetensbezwaren erkend worden, iedereen met gewetensbezwaren zal gelijk behandeld worden.

Maar ook de redenering dat door uitzonderingen toe te staan de overheid niet alle overtuigingen en mensen gelijkwaardig zou behandelen, is uiterst merkwaardig en ongerijmd. Er zijn mensen die kennelijk gewetensbezwaren hebben. Die worden erkend. Heeft dat iets met discriminatie te maken? Nou nee, zou ik zeggen, de gedachte ligt toch meer voor de hand dat als iemands gewetensbezwaren erkend worden, een mogelijke situatie van achterstelling waarin zo iemand anders zou kunnen belanden, opgeheven of voorkomen wordt. Rekening houden met mensen en met de verschillen tussen hen, ook in morele opvattingen en praktijken, is geen discriminatie van anderen, maar het kan wel een ongunstige situatie voor de betrokken voorkomen. Het gaat eerder om het voorkomen van discriminatie.

Het gaat ook helemaal niet om een privilege, zoals de auteurs ten onrechte denken. Een privilege betekent dat iemand iets mag dat anderen ook graag zouden willen. Maar ambtenaren die met plezier een homohuwelijk sluiten, vragen helemaal niet om de optie dat niet te hoeven doen. Als iemands gewetensbezwaren erkend worden, wordt tegemoet gekomen aan een wens van die persoon, maar anderen worden daar op geen enkele wijze door benadeeld. Het is heel moeilijk om te begrijpen waar de gedachte aan discriminatie vandaan komt. Alleen als je stiekem denkt dat het sluiten van een homohuwelijk eigenlijk toch een straf is, waar sommigen aan kunnen ontkomen, kun je van discriminatie spreken. Het verwijt maakt een nogal dubieuze indruk.

De stelling dat de gemeente Amsterdam zich inmiddels wel aan discriminatie schuldig maakt door zogenaamde weigerambtenaren geen functie meer te geven, ligt ondertussen meer voor de hand. Daarmee worden zulke personen in Amsterdam immers achtergesteld bij die in andere gemeenten. Als je vindt dat alle gemeenteambtenaren in Nederland gelijk behandeld horen te worden, is hier duidelijk sprake van discriminatie, maar je kunt mogelijk ook stellen dat gemeenten nu eenmaal verschillende richtlijnen kunnen volgen. Amsterdam is dan gewoon wat minder tolerant dan Urk, zullen we maar zeggen.

*

Zowel feitelijk als argumentatief schiet het stuk van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste op dit punt – weigerambtenaren en het homohuwelijk – tekort. De verklaring moet kennelijk gezocht worden in hun obsessie met de godsgedachte, waar ze in hun publicaties herhaaldelijk op terugkomen. Bij het twitteren valt het me vaak op dat gelovigen nauwelijks over God spreken, maar dat zelfverklaarde atheïsten en seculieren – sommige, niet alle uiteraard – het voortdurend over God hebben. Het is een idee dat sommigen kennelijk zeer intensief bezighoudt en dat zie je ook aan het stuk van het duo. Zo schrijven ze:

Vaak hoort men dan het argument dat God ‘nu eenmaal belangrijk is voor mensen’.

Volgens mij hoor je dat argument zelden of nooit. Wat je wel hoort, is dat godsdienst belangrijk is voor mensen en dat is dus iets heel anders: het gaat dan om een sociale praktijk.

Op de rest van hun betoog, dat eigenlijk over een heel ander thema gaat, ga ik nu niet in. Ieder die het leest, zal zien dat het een enorme angst voor vrijheid uitstraalt, de vrijheid van anderen. Het is vooral een antiliberaal stuk. Met tolerantie, vrijheid en gelijkheid hebben de heren het nogal moeilijk, maar daarover moeten we het misschien later nog maar eens hebben.

*

Eén vraag heb ik nog laten liggen: wat vind ik hier nu zelf van? Het is uiteraard duidelijk dat wie bepaalde gewetensbezwaren erkent, toleranter is dan wie dat niet doet. Maar ook bij verdraagzaamheid zul je je elke keer af moeten vragen wat je precies wilt tolereren. Ik beperk me tot een enkele opmerking.

Naar mijn idee had de overheid het huwelijk zakelijk als een juridische transactie moeten (blijven) behandelen. Een huwelijkssluiting had een zakelijke lokethandeling dienen te zijn: twee mensen, twee getuigen en verder niemand erbij. Enkele formulieren invullen en meer niet. Geen toespraken, geen plechtige kledij, geen bijzondere ambiance, niets feestelijks. In dat geval zou ook geen ambtenbaar een reden hebben om niet gewoon zijn werk uit te voeren.

Maar de overheid treedt nu op als evenementenbureau; het is een term die ik met toestemming overgenomen heb van een goede vriend van me. Op de raarste plaatsen kun je trouwen, tot op het strand toe, hele plechtigheden worden ervan gemaakt en grote groepen mensen zijn aanwezig. De overheid begeeft zich op de markt van rituelen en symbolen. Sommige ambtenaren van de burgerlijke stand dragen ook de meest uitbundige gewaden. Kortom, de overheid maakt van huwelijkssluitingen een soort religieuze plechtigheid. En in dat geval kun je van ambtenaren niet vragen dat ze doen alsof ze iets leuk vinden, terwijl ze ondertussen iets anders denken. En wie vindt het nou aangenaam om door iemand in de echt verbonden te worden die daar zelf niet met zijn hart bij betrokken is?

Als de overheid zich dan toch op de markt van pseudoreligieuze handelingen begeeft, dan moet ze ook een beetje soepel zijn in het bij elkaar brengen van vragers en uitvoerders. Niet voor niets zijn er veel buitengewone ambtenaren van de burgerlijk stand. De primaire vraag is dan ook niet of een ambtenaar iets mag weigeren, maar of ambtenaar en huwelijksstel een beetje bij elkaar passen. In de gegeven omstandigheden – die wat mij betreft niet deugen – is dat een vraagstuk waar zo praktisch mogelijk mee om moet worden gegaan. Geef mensen de gelegenheid om iemand uit te zoeken die bij hen past en affiniteit heeft met hun levensinstelling.

*

Het artikel van Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste past in de angstige, onverdraagzame trend die de laatste jaar en vogue is. Oei, oei, als een ander toch ook maar iets gedaan krijgt, dat wij niet eens willen. Nee, waarom zou je een ander ook iets gunnen als je hem ook het leven zuur kunt maken?

Het is de intolerante trend waarin iedereen onder het juk van een strenge eenheidsmoraal door zal moeten. Bekrompenheid viert hoogtij. Ik heb het meer op vrijheid.

Maar ja, dat is wel erg ouderwets, dat besef ik ook wel.

.:.

Posted in Geen categorie

Weg met de allochtoon!

.:.

De allochtoon is een figuur die steeds weer voor verwarring zorgt. Nee, ik doel niet op de mensen die als allochtoon aangeduid worden, maar op de aanduiding zelf. Het begrip allochtoon zelf is een bron van immense confusie. Het PVV-Kamerlid Joram van Klaveren vergrootte die vorige week woensdag alleen nog maar door voor te stellen om kinderen van zogenaamde tweedegeneratieallochtonen voortaan ook allochtonen te noemen: derdegeneratieallochtonen. Zijn voorstel is incoherent, omdat het de officiële definitie miskent. Maar die deugt toch al niet. Er is alle reden om het begrip af te schaffen.

*

De allochtoon werd in 1989 geïntroduceerd in het rapport Allochtonenbeleid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om het begrip minderheid af te lossen. Een groepsaanduiding werd vervangen door een individuele typering, die bovendien zuiver formeel was.

Dat leek misschien een vooruitgang, maar het probleem is dat de definitie die het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek), daarin gevolgd door de (rest van de) Nederlandse overheid en de statistische onderzoeksbureaus van de grote gemeenten, al geruime tijd hanteert en die trouwens opvallend afwijkt van wat de WRR destijds voorstelde, gekunsteld is. Een allochtoon is volgens het CBS een ‘persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren’. En een autochtoon daarentegen is een ‘persoon van wie de beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar men zelf is geboren’.

Daar is van alles mis mee. Een eerste punt is dat het om asymmetrische begrippen gaat. Je hoeft maar één in het buitenland geboren ouder te hebben en je bent al allochtoon. Maar als één van je ouders in Nederland geboren is, ben je nog steeds geen autochtoon. Dan moeten ineens beide ouders het levenslicht in Nederland aanschouwd hebben. Je bent dus eerder allochtoon dan autochtoon en dat is toch ietwat ongerijmd.

Een tweede nadeel is dat mensen niet in termen van hun eigen levensgeschiedenis aangeduid worden, maar op grond van een extern criterium, de geboorteplaats van hun ouders, alsof dat per se iets over hen zegt. Koningin Beatrix, wij weten het allemaal, is een allochtoon. Het zal niemand ontgaan zijn dat haar vader van Duitse afkomst was. Allochtonie is trouwens endemisch in de familie Oranje-Nassau. Sinds Willem IV van Leeuwarden naar Den Haag verkaste en het stadhouderschap in 1748 erfelijk werd, hadden alle acht stadhouders, koningen en koninginnen van Oranjehuize een buitenlandse moeder of vader. En van 1982 tot 1994 had Nederland – volgens de huidige, niet de toenmalige begrippen dus – een heuse allochtoon als minister-president. De moeder van Ruud Lubbers werd immers in 1903 geboren in het Duitse Ruhrort bij Duisburg. Ook Geert Wilders is trouwens volgens CBS-begrippen een allochtoon; zijn moeder kwam in Soekaboemi (Nederlands-Indië) ter wereld.

Daarmee zijn we meteen bij het derde en belangrijkste bezwaar. Door een gekunsteld begrip te gebruiken scheppen Nederlandse overheidinstanties onduidelijkheid. In de wandeling is allochtoon is zo ongeveer de aanduiding geworden voor iemand die van elders, meestal een ander werelddeel, afkomstig is. Het is de ruimere opvolger van vreemdeling of buitenlander. Maar door hetzelfde woord formalistisch heel anders te gebruiken zaait de overheid met herhaaldelijk opduikende berichten over allochtonen die in grote steden over enige tijd – of nu al – de meerderheid zouden vormen, alleen maar verwarring. Ook Ruud Lubbers behoort tot de bijna 48% allochtonen die Rotterdam herbergt, terwijl onze vorstin de eer heeft om samen met haar Indische, Marokkaanse, Surinaamse en Turkse stadgenoten tot de allochtone bevolking van Den Haag gerekend te worden.

*

Iets is er ondertussen wel tot het grote publiek doorgedrongen. Als het over allochtonen gaat, bedoelt men vaak de zogenaamde niet-westerse allochtonen. Het CBS omschrijft die als allochtonen ‘met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije’. Maar daarmee wordt de zaak alleen maar erger. ‘Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie’, licht het CBS toe, ‘worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.’ De racistische ondertonen kan men nauwelijks over het hoofd zien. En het is vreemd dat veel Nederlandse Surinamers, opgegroeid in een wat taal en cultuur betreft volledig Nederlandse omgeving, als ‘niet-westers’ worden gezien, terwijl Japanners en Indonesiërs ineens westerlingen zijn.

De politicus Frits Bolkestein behoort dus tot de bijna 120 duizend westerse allochtonen, die de de hoofdstad volgens Amsterdamse Dienst Onderzoek en Statistiek telt. Zijn moeder is immers geboren in het ‘westerse’ Semarang. Maar de tweede in de rij van troonopvolging, prinses Amalia, is een niet-westerse allochtoon. Haar moeder komt immers uit het ‘niet-westerse’ Argentinië. Als er geen revolutie uitbreekt, leest over een jaar of dertig een niet-westerse allochtoon dus de troonrede voor. Het gezin dat de villa Eikenhorst te Wassenaar bewoont, bestaat immers uit één westerse allochtoon, kroonprins Willem-Alexander, en vier niet-westerse allochtonen: zijn echtgenote en zijn drie dochters.

Het voorstel van Joram van Klaveren om het toch al uiterst ruime begrip allochtoon nog verder op te rekken door kinderen van tweedegeneratieallochtonenen ook allochtonen te noemen, laat onbedoeld zien hoe ongelukkig en onbruikbaar het hele begrip is. Zijn ideetje behelst immers een conceptuele onmogelijkheid. Derdegeneratieallochtonen bestaan per definitie niet. Het enige criterium is immers of tenminste één ouder in het buitenland is geboren. Pas daarna, in tweede instantie, komt daar een extra kenmerk bij: de eigen geboorteplaats. Wie zelf ook in het buitenland werd geboren, is volgens het CBS een eerstegeneratieallochtoon; wie zelf in Nederland ter wereld kwam, gaat door voor een tweedegeneratieallochtoon. Een tweedegeneratieallochtoon hoeft dus geen ouders te hebben die zelf als allochtoon gelden.

*

Het wordt tijd dat de Nederlandse overheid op zakelijke gronden afscheid neemt van de allochtoon. Het begrip rammelt aan alle kanten. In 2009 gaf de toenmalige minister Eberhard van der Laan in zijn Integratiebrief de voorkeur aan het begrip ‘nieuwe Nederlander’. Het is niet erg aangeslagen en het is ook wel duidelijk waarom. Nieuwe Nederlanders omschreef Van der Laan ‘in brede zin’ als ‘migranten en hun kinderen in Nederland van wie het merendeel de Nederlandse nationaliteit heeft’, waarbij hij veiligheidshalve nog wel aantekende dat het begrip ‘juridisch imperfect’ was.

In feite kwam het neer op een wat lossere en slechts iets ingeperkte vervanger van allochtoon. Maar daar zit ‘em nou juist het probleem: niet dat woord is fout, maar het concept als zodanig. Dat gooit immers veel te veel op één hoop. Het eufemisme nieuwe Nederlanders laat dat goed zien: het voldoet immers maar voor de helft. Immigranten kun je terecht nieuwe Nederlanders noemen. Dat zijn ze zakelijk gesproken namelijk. Maar geldt dat ook voor hun kinderen? Kun je de kinderen van twee Turkse Nederlanders die zelf al sinds hun kleuterjaren in Nederland wonen, werkelijk nieuwe Nederlanders noemen? Het is toch ronduit beledigend om iemand die zijn ganse leven hier doorgebracht heeft, als ‘nieuwe Nederlander’ aan te spreken?

Het probleem, kortom, is dat de overheid met haar eigenaardige invulling van het begrip allochtoon niet de maatschappelijke werkelijkheid beschrijft, maar juist een werkelijkheidsvreemde definitie hanteert. Dit is nou eens echt een constructie. Mensen met geheel verschillende levensgeschiedenissen, immigranten en mensen die in Nederland geboren zijn, worden met een en dezelfde term aangeduid. Het CBS en de Nederlandse overheid zouden er verstandig aan doen om termen te kiezen die beter aansluiten bij de realiteit. Tel gewoon wie er daadwerkelijk immigranten zijn en maak daarbij dan desnoods ook nog een onderverdeling naar leeftijd. Het maakt immers wel wat uit of iemand op zijn tweede, achttiende of veertigste arriveerde. Noem immigranten gerust nieuwe Nederlanders, maar noem hun kroost gewoon immigrantenkinderen. Een mooie term is dat niet, maar nauwkeurig is die wel. Een fraaier alternatief zou overigens welkom zijn.

Onderzoek ook rustig welke mensen een of meer ouders of voorouders hebben die in het buitenland geboren zijn, maar geef dat per categorie exact aan. Zoals de Verenigde Staten wemelen van de verbindingsstreepjes-Amerikanen – de Ierse groep heeft bijvoorbeeld een sterke identiteit – moet het ook mogelijk zijn om te erkennen dat iemand een autochtone Nederlander kan zijn van Marokkaanse of Chileense origine. Het verheldert niets als je al die groepen in één grote categorie onderbrengt. Met zijn huidige overdreven criteria komt autochtoon overigens evenzeer voor opheffing in aanmerking. Als men het woord toch wil handhaven, tel dan voortaan iedereen die in Nederland of als Nederlander is geboren. Door meer reële definities te volgen zou het CBS ook nauwer aansluiten bij collega’s in andere landen, waardoor de gegevens internationaal beter vergelijkbaar worden.

Ook juridisch is dit het goede moment om de allochtoon vaarwel te zeggen. Tussen 1994 en 1998 bestond bijvoorbeeld de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen, maar op dit moment zijn er nog maar twee wetten waarin de term allochtonen voorkomt, terwijl dat begrip en het enkelvoud allochtoon in slechts twee Koninklijke Besluiten en minder dan twintig ministeriële regelingen figureren. De noodzakelijke aanpassingen vallen te overzien.

*

Dat de allochtoon in het alledaagse spraakgebruik nog wel een poosje voort zal leven, daar moeten we ons niet druk over maken. Een zeker onderscheid zal toch wel gemaakt worden, zolang het op de een of andere manier ervaren wordt. Maar de Nederlandse overheid zou ondertussen exactere termen moeten kiezen, niet om de werkelijkheid anders voor te stellen dan die is, maar juist om die zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven.

.:.

Posted in Geen categorie

Het onbehagen van Maxime Verhagen

.:.

Al voor het symposium 'Populisme in de polder' dat het Wetenschappelijk Instituut van het CDA dinsdag 28 juni in Den Haag organiseerde naar aanleiding van het gelijknamige, recente themanummer van Christen Democratische Verkenningen, afgelopen was, waren er twee tegengestelde interpretaties van de toespraak die Maxime Verhagen daar hield, in omloop. Jaap Jansen vestigde daar de aandacht op. Terwijl NRC Handelsblad meende dat Verhagen zich ‘niet eerder’ ‘zo expliciet aan het gedachtegoed van de PVV over buitenlandse invloeden die Nederland zouden bedreigen’ verbond, noemde Radio1 de rede kennelijk een ‘aanval op de PVV’. Zoiets maakt nieuwsgierig. Wie heeft er gelijk? Helemaal nieuw bleek de tekst trouwens niet te zijn: een verkorte versie was vorige week al in Katholiek Nieuwsblad verschenen.

Verhagen zet in ieder geval klassiek in: ‘We leven in een tijd van onbehagen.’ Dat zijn altijd woorden die het goed doen. Ik herinner me – even een kleine omweg en dan kom ik echt ter zake – dat we met de redactie van Felix & Sofie in mei 2004 een half uur voor aanvang bij Felix Meritis aankwamen en constateerden dat er al opvallend veel fietsen stonden. Er zal wel iets anders in het gebouw zijn, dachten we. Maar toen we boven in de Shaffyzaal aankwamen, bleek die al vol te zijn. Zo vroeg, dat waren we niet gewend. Omdat de brandweer maximumaantallen vaststelt, moesten er mensen onverrichterzake naar huis terugkeren. We hadden die avond nietsvermoedend Ad Verbrugge uitgenodigd, omdat hij net zijn boek Tijd van onbehagen – daar heb je de woorden dus letterlijk – had gepubliceerd. Hij had de zondag ervoor er de tv mee gehaald, maar het is ook een leus die kennelijk aardig wat mensen aanspreekt.

Zo is het altijd geweest. Een filosoof die een boek schrijft over Een eeuw van welbehagen, zal het nooit ver schoppen. Wijsgeren horen bezorgd te zijn en altijd een cultuurcrisis waar te nemen op het toevallige moment waarop zij leven. Over onderwijs en cultuur hoor je je zorgen te maken, als je een beetje diepzinnig over wilt komen. Het is een verleidelijke pose en ik moet toegeven dat ik er ook wel eens lichtelijk aan toegeef. Er is trouwens ook altijd wel een goede reden, want menselijk leven gaat nu eenmaal moeilijk zonder crises.

*

Laat ik eens proberen om af te zien van alles wat we weten omtrent het politieke handelen van Maxime Verhagen, en de tekst – die in ieder geval op zijn naam staat – zo welwillend mogelijk lezen. De structuur van de gedachtegang – dat is iets anders dan: de tekst of het betoog – is dan helder.

(1) Er is een probleem: er heerst onbehagen. En dat onbehagen is groot. Het is bovendien begrijpelijk.
(2) Dat onbehagen is ‘door de traditionele politieke partijen, ook door mijn eigen CDA, lang weggezet als een foutieve reactie op de snelle veranderingen in de wereld.’ 
(3) Maar er zijn populistische partijen die dat onbehagen wel benoemen.
(4) Daar moet verandering in komen. Het moet ook ‘het onbehagen zijn van een volkspartij als het CDA.’ ‘Het CDA moet een christendemocratisch antwoord op het onbehagen vinden.’
(5) En dan komt wel goed: ‘Juist in een tijd van onbehagen zoeken zwevende kiezers partijen met principes.’

Bewust heb ik de inhoud van dat onbehagen voorlopig onbenoemd gelaten, want zo zien we de denkstructuur het helderst. Er is een probleem. Sommigen onderkennen dat kennelijk, maar geven een verkeerd antwoord. Als wij nu maar het goede antwoord geven, dan zal het wel goed komen. Daar komt het ongeveer op neer.

1. Onbehagen en onzekerheid

Wat is dat onbehagen waar alles om draait? Het antwoord laat zich in één woord geven: onzekerheid. Dat verschijnsel zou een ‘een levensgroot kenmerk van deze tijd’ vormen:

- Niet alleen economisch, niet alleen de baan en het inkomen, maar breder. Hoe gaat ons land eruit zien?
– Blijft Nederland nog wel Nederland als er zoveel buitenlanders bij komen?
- Blijft mijn buurt wel mijn buurt als er weer een kerk gesloten wordt en er een moskee wordt gebouwd?
– Waarom passen de nieuwkomers zich niet aan ons aan? Zij hebben geen last van mij ik wil ook geen last van hen hebben.
Ze pikken toch niet de baan van mijn zoon in?
– Alles is zo duur geworden in Nederland; wordt mijn pensioen straks ook nog gekort?
– Hoe zit het eigenlijk met de boodschappen die ik doe: wat kan ik nu wel en wat kan ik nu beter niet eten van die producten uit het buitenland en zit die buitenlandse ziekte nu ook in onze groente of in ons vlees?
– Moeten we ook niet gewoon helemaal af van al dat buitenlandse gedoe en kunnen we niet – letterlijk – beter onze eigen boontjes doppen?
– Het buitenland kost toch alleen maar geld en levert weinig op behalve problemen. Europa: ik weet dat er veel geld naar toe gaat maar ik zie er niets van terug. Waarom bemoeit Brussel zich überhaupt met ons?
– Ja, ik zie dat als er een ander land failliet gaat dat we dan nóg meer geld geven. — Sinds wanneer zijn wij een liefdadigheidsinstelling..?

Tja, dat zijn bijna allemaal vragen en om dat helder te maken heb ik de tekst ook volgens dat aspect geordend; een enkele keer gaat zo’n vraag gepaard met een korte toelichting vooraf of achteraf. De cursiveringen zijn ook van mij. Verhagens tekst omschrijft het onbehagen ook meer stellig. Ik voeg drie passages samen en opnieuw deel ik in en cursiveer ik:

- Het is niet meer vanzelfsprekendheid dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij.
– De samenhang in steden en dorpen is verdwenen door de komst van individualisering, immigranten vanuit de hele wereld en een complexer wordende samenleving.
– De traditionele verbanden van kerk, partij en vereniging bestaan niet meer. In Brabant verdwijnen de komende tien jaar 237 van de 287 kerken. Het levensbeschouwelijke kompas dat wij van huis uit meekregen, heeft plaatsgemaakt voor een vrijheid die vaak meer beangstigt dan bevrijdt.
– Mensen zoeken rust, stabiliteit en overzicht. Juist omdat alles, nabij en in de wereld, al zo snel gaat, hunkeren de mensen naar dit overzicht.
– Kijk naar het tanende draagvlak in de samenleving voor de publieke omroepen, de woningbouwcorporaties of de natuurbeschermingsorganisaties.

In meer algemene termen deelt Verhagen ook nog eens achteloos mee dat de multiculturele samenleving ‘mislukt’ is. De ‘echte vraagstukken van deze tijd’ omschrijft hij als volgt:

Ik denk dan aan een goed functionerende arbeidsmarkt, integratie en het gemeenschappelijk fundament van culturele waarden, energiezekerheid en het duurzaam voortbestaan van onze aarde, Europese samenwerking en de antwoorden op de vergrijzing in onze samenleving.

*

Dat lijkt me voorlopig wel genoeg. Wat hiervan te zeggen? Een bekend cliché wil dat vragen nooit dom kunnen zijn, maar dat is niet helemaal waar. Vragen vergen niet alleen antwoorden, maar veronderstellen ook een zekere kennis en de geïmpliceerde vooronderstellingen kunnen wel degelijk van verwijtbare onwetendheid of van gebrek aan moraal of smaak getuigen. Of anders gezegd: vragen gaan ergens over. En de vragen uit het eerste blokje gaan – op een zin na over duurte en pensioenen – bijna allemaal over het buitenland of buitenlanders – met variaties in de vorm van moskee, nieuwkomers, ze, Europa, Brussel en ander land. De accentuering is op zijn minst opvallend.

Het is natuurlijk wel duidelijk waarom Verhagen zo inzet. Pas heel laat in zijn verhaal noemt hij Geert Wilders en de PVV bij name, maar dit zijn de vragen waarmee diens thema’s enigszins omzichtig worden aangeduid. Stellen sommige mensen zulke vragen? Ach, vast wel. Maar het lijkt me wel van belang om vast te stellen welke mensen dat precies zijn. En vooral ook: waar ze zich dan op baseren. Gaat het om eigen ervaringen? Of gaat het om opinies over zaken die zich op verre afstand afspelen en die ze vooral via de media kennen? Hoe sterk is dat onbehagen eigenlijk? En waar komt het vandaan?

Het tweede blokje met meer stellige uitspraken, is in ieder geval breder van opzet. Het gaat nu om de toekomst in economisch opzicht, om samenhang, om het verdwijnen van een levensbeschouwelijk kompas en het verlangen naar stabiliteit. Nee, dat is zeker niet allemaal onzin. Maar het lijkt me wel de vraag in hoeverre dit vragen van mensen zelf zijn. Ervaren ze de individualisering alleen als probleem? Of is het juist ook wat ze willen? Ze richten toch ook zelf hun leven op die manier in? En is het wel waar dat de samenhang in steden en dorpen zo erg verdwenen is? Werkelijk overal? En is het werkelijk waar dat de nieuwe vrijheid mensen ‘vaak meer beangstigt dan bevrijdt’? Is het juist niet die vrijheid die ze vieren, bijvoorbeeld door niet meer op een traditionele grote partij als het CDA of de PvdA te stemmen, maar op een partij van hun eigen keuze? Ik geloof zeker dat mensen aan de centrale dorpskerk gehecht zijn, als gebouw. Maar als het werkelijk waar is dat 237 van de 287 Brabantse kerken op het punt van verdwijnen staan, is dat dan niet vooral het gevolg van het wegblijven van de mensen zelf? Dat is toch niet iets dat ze passief overkomt? Ik bedoel maar, het is echt niet zo dat de kerken door moskeeën verdrongen worden, en hoeveel worden er daarvan nou werkelijk gebouwd? En als het draagvlak voor publieke omroepen, woningbouwcorporaties of natuurbeschermingsorganisaties afneemt, is dat ook niet iets wat aan de mensen zelf ligt? Kortom, ik vraag me een beetje af in hoeverre het om de zorgen van de kiezers gaat of om de zorgen van de waarnemer die Verhagen in dit geval is.

Het derde blokje met algemene vragen tenslotte lijkt me allerminst nieuw. Dat zijn reële thema’s, maar daarover gaat het al jaren. En dat de multiculturele samenleving ‘mislukt’ is, lijkt me ook een onbewezen stelling. Daar werd in feite nooit meer mee bedoeld dan dat er ook minderheden in onze samenleving waren. Wel is waar dat de verdraagzaamheid voor die minderheden momenteel afneemt, maar dat is niet omdat er in de samenleving iets mislukt zou zijn, maar omdat de meerderheid momenteel haar moraal nadrukkelijker op probeert te leggen. De diagnose is fout geformuleerd.

2. Een foutieve reactie?

Het onbehagen zou door de traditionele politieke partijen, ‘ook door mijn eigen CDA’, voegt Verhagen er grootmoedig aan toe, lang weggezet zijn ‘als een foutieve reactie op de snelle veranderingen in de wereld.’ Dat mensen ‘op hogere functies in de politiek, in de rechterlijke macht, in het bedrijfsleven en bij publieke instellingen als verpleeghuizen en woningbouwcorporaties’ daar niet ‘voor zichzelf, maar voor het algemeen belang, ook voor de gewone man’ zitten, daarvan zouden ook CDA’ers van ‘weggekeken’ hebben. Maar ook anderen deden het niet goed. Vooral ‘de progressieve elite’ gaf met veel dedain af op het verlangen op het verlangen naar overzicht met typeringen als ‘burgerlijk en bekrompen en spruitjeslucht’. Geconfronteerd met de zorgen van mensen gaven allerlei leiders ‘sociaal wenselijke antwoorden’. Uit het feit dat Verhagen met nadruk stelt dat men die zorgen niet als ‘onfatsoenlijk’ mag afdoen, kunnen we afleiden dat hij meent dat dat wel gebeurd is.

Erg concreet wordt het allemaal niet. Verhagen gaat er kennelijk vanzelfsprekend vanuit dat het zo is en dat zijn beoogde publiek het met hem eens is. Het gaat hier om een bekende retorische figuur: vroeger werden dingen niet serieus genomen, toen was er sprake van ‘verheerlijking van het multiculturalisme’, maar nu, nu wordt alles anders. Ik weet het niet. Uiteraard herkennen we waarschijnlijk allemaal wel iets van soms moraliserende, luchtig problemen wegwuivende reacties van vroeger. Maar waarom eigenlijk? Omdat we het toen niet zagen en nu ineens wel? Herinneren we ons ineens onze onjuiste inschattingen uit het verleden om nu plotseling tot de ontdekking te komen dat we het destijds niet scherp zagen? Ik vermoed dat het heel anders ligt. We herinneren ons de overdrijvingen van vroeger juist, omdat er toen al op gereageerd werd en waarschijnlijk omdat we er zelf al zo onze bedenkingen bij hadden. Het is als met het boek van Martin Bosma, die een aantal gekten van links van vroeger aanhaalt, precies om dezelfde redenen: omdat ze toen al scherpe reacties opriepen, ook van links zelf. Al zijn voorbeelden waren al lang en breed bekend en daarom kon hij ze ook zo gemakkelijk bijeenrapen.

Nemen we nu het ‘buitenlanders’-thema waarmee Verhagen zo opzichtig inzet. Is dat nieuw? Neen, geenszins. Al minstens twee decennia discussiëren we daar intensief over. We herinneren ons juist wat er al die tijd al geweest is. En volgens mij is het nog sterker. Het debat begon echt niet met Bolkestein, zoals de steeds doorvertelde mythe nu wil. Soms is het handig als je nog eens wat boeken bewaart. Ik heb hier een boek voor me liggen van Frank Bovenkerk, Kees Bruin, Lodewijk Brunt en Huib Wouters uit 1985: Vreemd volk, gemengde gevoelens. Etnische verhoudingen in een grote stad. Die stad is Utrecht. De titel spreekt al boekdelen. Je kunt natuurlijk zeggen dat het typisch was dat wetenschappers de zaak toen gingen bekijken, omdat politici de zaak nog niet doorhadden, maar er waren in ieder geval lieden die nieuwsgierig genoeg waren om eens uit te zoeken hoe het nu echt zat met ‘verontrustende berichten’ over wat zij de ‘multi-raciale samenleving’ noemden en waar pers, radio en tv dagelijks over zouden berichten.

Ik heb hier ook een artikel van Anet Bleich en Rudi Boon uit de Groene van 15 februari 1984 bij de hand, ‘Nederlander en buitenlander’, dat is opgenomen in de recente bundel Houd op, gij daar met uw houweel – met trouwens voorop een prachtige foto van koningin Juliana op de galerij van een Bijlmerflat, Hoogoord. De ondertitel van het stuk zegt al heel veel: ‘Grote en kleine irritaties in de Amsterdamse Kinkerbuurt’. De auteurs eindigen hun stuk met de woorden:

Dit is de Kinkerbuurt anno 1984. Met zijn vele opmerkelijke, bizarre, leuke, vreselijke, inventieve, onhandige, ontroerende, maar vooral krampachtige pogingen om met medebewoners uit andere landen te leren leven.

Let vooral op dat woord: krampachtig. Need I say more? In zijn inleiding merkt Rob Hartmans op dat er in de Groene, toen in veler ogen een ‘links parochieblaadje’, veel aandacht was voor alle mogelijke problemen, zowel de sociale als de culturele. Al in 1989 brak Stephan Sanders de staf over het ‘cultuurrelativisme’ en twee jaar later liet Anil Ramdas zich scherp uit over het slachtofferdenken van diverse migrantenorganisaties. Ik weet het, dit bewijst niet alles, maar het lijkt me helder dat het niet waar is dat er lang weggekeken is. Het is anders: het gaat hier om een thema dat al decennia bestaat en dat juist daardoor nu een eigen dynamiek heeft gekregen. Het thema heeft zijn mobiliserende waarde al lang en breed bewezen, dat is het.

3. Benoemt het populisme? Wat dan?

Wat doen populisten nou? Ze benoemen het onbehagen, zegt Verhagen. Het populisme, zegt hij, is ‘een overreactie op de verheerlijking van het multiculturalisme: het nemen van westerse waarden van nu als superieur en afwijkingen daarvan als niet gewenst.’ De PVV – een enkele keer noemt hij het beestje bij de naam – ‘wil het zogenaamde heartland creëren. En dat zou een Nederland moeten zijn met een hek er om heen.’

En de makkelijke lokroep van de PVV naar kiezers om het buitenland af te schilderen als eng, gevaarlijk en profiterend is onjuist, kortzichtig en slecht voor onze economie en samenleving.

Een partij als de PVV gaat – net als D66, meent Verhagen; ik zeg niks – tekeer tegen ‘instituties’. De PVV ‘schopt ertegen als bolwerken van de elite’.

Populisten vinden in de regel dat de overheid zich met te veel bemoeit, dat de belastingen te hoog zijn, dat massale immigratie een probleem vormt, dat de islam vaak nogal onbeschaafd is.

De onvrede in de samenleving, de onzekerheid van mensen, dat is de voedingsbodem, waar Verhagen niet blind voor wil zijn. Populistisch zijn de antwoorden van bepaalde leiders ‘die er zelf beter van willen worden. Die er populair van willen worden.’

Dat is het, geloof ik, wel ongeveer wat Verhagen over het populisme te melden heeft. Veel is het niet, maar grosso modo is het juist. Maar wat zeggen deze verzamelde antwoorden? Dat men op de veronderstelde dreiging van buiten een simplistisch ‘antwoord’ geeft, dat Verhagen terecht als onrealistisch en onjuist afwijst. Maar wat het meest opvalt: het populisme geeft blijkbaar geen antwoord op de veronderstelde onzekerheid, maar wil die kennelijk alleen maar vergroten door instituties nog verder af te breken, als we Verhagen mogen geloven. Als we er eens van uitgaan dat hij gelijk heeft, wat zegt dat dan? Dat die kiezers naar overzicht en stabiliteit snakken, zoals Verhagen in zijn vraagstelling veronderstelt? Of zou het juist omgekeerd zijn? Dat ze de vrijheid helemaal niet beangstigend vinden, maar er juist nog meer van willen? Of dat ze er tenminste verder niet over nadenken en zich in ieder geval geen zorgen maken?

4. Het antwoord van Verhagen

Over het antwoord van Verhagen kan ik relatief kort zijn, juist omdat zijn rede daar grotendeels over gaat. Ieder kan die zelf nalezen en zich afvragen of Verhagens stellingen hem overtuigen.

Een paar woorden slechts, allereerst over de structuur. Verhagen – of zijn tekstschrijver – deelt zijn verhaal in drie delen in: maatschappij, partij, politici. Ik geloof niet dat die aanduidingen de lading helemaal dekken. Het ontbreken van een scherpe vraagstelling nekt het verhaal: een scherp antwoord komt er zo nooit. Ook onder het laatste kopje gaat het over zijn partij en onder het tweede kopje gaat het juist nogal uitgebreid over wat de maatschappij moet doen. De acht tussenkopjes bij de laatste twee onderdelen bieden ook al niet overdadig veel houvast: het eigen verhaal, de Leitkultur uitdragen, subsidiariteit, instituties, afstandelijke nabijheid, vraagstukken, C van het CDA, de echte prijs. Een logische opbouw valt nauwelijks te onderkennen. Waarom komen die ‘vraagstukken’ anders zo laat aan de beurt?

Geeft Verhagen antwoorden op de vragen die hij in het begin en tussendoor opwierp, op de ‘problemen’ die het populisme wel zou beantwoorden? Nauwelijks, lijkt me. Wat hij wel biedt, is een tamelijk traditioneel verhaal, maar wel zonder alle aspecten van de christendemocratische politieke filosofie. De vier kernbegrippen die het CDA altijd opvoert, zijn lang niet allemaal aanwezig. Dat hoeft natuurlijk ook niet in zo’n lezing en dat het een keer niet over rentmeesterschap gaat, valt misschien in deze context misschien te billijken, maar dat een begrip als rechtvaardigheid – gerechtigheid is de officiële term – slechts een keer terloops zonder enige invulling of toepassing voorbijkomt, lijkt me tekenend.

Ook solidariteit en gespreide verantwoordelijkheid – de overige twee – komen als zodanig niet voor, maar het laatste begrip kunnen we misschien vagelijk terugvinden in de nadruk die Verhagen legt op de eigen werkzaamheid van de maatschappij. Het CDA is volgens Verhagen ‘meer dan een politieke partij’. ‘Meer samenleving dan Den Haag’, is zijn parool.

Het CDA zou een maatschappelijke beweging moeten zijn, geworteld in vele duizenden verenigingen in sport, cultuur, religie en maatschappij.

Werkelijk? Zou een politieke partij zich niet eens eerst moeten buigen over de vraag wat het betekent om politiek te bedrijven? Ja, de maatschappij is belangrijk, maar waarom moet een politicus zo nodig vertellen wat de maatschappij moet doen? Het is het typisch moralistische trekje dat ook bij Balkenende altijd zo opspeelde. Het gaat om een categoriefout: terwijl je van een politieke partij een politieke filosofie verwacht, komen diverse christendemocraten telkens met een sociale filosofie op de proppen. Ik wil best geloven dat er in de katholieke sociale leer heel veel nuttigs schuilt, maar je vraagt je wel af waarom uitgerekend een politicus daarmee aan komt zetten. Het komt me bovendien voor dat Verhagens interpretatie van het subsidiariteitsbeginsel een tikje mager is. Dat geeft ‘ieder mens, ieder persoon binnen zijn of haar gemeenschap een taak’, een ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’, stelt Verhagen.

Wat betekent dat in het licht van populisme? Dat mensen hun onvrede niet moeten uiten door te wijzen naar anderen, maar de samenleving zelf moeten helpen inrichten. De overheid faciliteert daarbij. Niet meer. Dat zou het CDA meer moeten benadrukken. De mensen zijn zelf aan zet. Wanneer mensen de samenleving zelf inrichten, hebben ze niemand in Den Haag meer nodig die zegt dat er een kloof bestaat tussen hen en de politiek. Niet roepend dat de elite niet deugt en niet eens in het jaar stemmend over een referendum.

Is dat alles? De overheid – de cursivering hierboven is opnieuw van mij – faciliteert en niet meer? Dat is wel erg weinig. Zou de overheid bijvoorbeeld niet iets met gerechtigheid te maken hebben? Ja, als mensen zelf dingen doen en dat aankunnen, dan is dat prachtig, maar ik meen toch echt te weten dat de katholieke sociale leer wel iets meer te bieden heeft, dat nog afgezien van de vraag of veel mensen daar feitelijk nog belangstelling voor hebben. Het merkwaardige is dat Verhagen het zo enerzijds eens lijkt te zijn met de veronderstelde populisten die menen dat de overheid zich met veel te veel bemoeit, maar dat hij ze tegelijk ook tegen probeert tegen te spreken: ze moeten niet steeds roepen dat de overheid niet deugt en zelf de mouwen maar eens uit de handen steken. Maar is dat nu werkelijk een politiek antwoord? Zou een politicus niet beter kunnen vertellen wat híj denkt te gaan doen?

En het probleem lijkt me nu juist dat Verhagen in het begin juist geconstateerd heeft dat de ‘samenhang in steden en dorpen is verdwenen’ en dat de traditionele ‘verbanden van kerk, partij en vereniging’ niet meer bestaan. Het komt er in feite op neer dat hij zegt dat mensen ze dan maar weer moeten oprichten. Je zou dan toch op zijn minst aan moeten geven hoe de overheid ze daarbij helpt, ‘faciliteert’ in zijn taal. Is dit niet iets dat het CDA en de voorloper in het KVP al sinds mensenheugenis roept? Als die partij al zolang regeert, hoe komt het dan dat ze het tij niet heeft kunnen keren? Als de diagnose juist is – wat wat mij betreft nog te bezien valt -, zou het dan niet tijd worden voor wat andere antwoorden? Is het verhaal over de waarde van instituties meer dan een vrome preek?

*

Op één punt wil Verhagen wel duidelijk leiding bieden, letterlijk: hij wil het idee van een Leitkultur weer oppoetsen. Op zich is zo’n geïmporteerde, Duitse term natuurlijk nogal merkwaardig, als het gaat om onze waarden, maar helemaal vreemd is ze ook niet. Bassam Tibi, de van oorsprong Syrische hoogleraar die de gedachte destijds introduceerde, had nadrukkelijk Europese, bovennationale waarden op het oog. Erkend moet worden dat ook Verhagen ook zoiets bedoelt. Maar tevens moet je constateren dat de discussie in Duitsland al snel uit de hand liep en dat het idee veel nationalistischer en exclusiever werd gebruikt dat Tibi het bedoeld had. Je kunt je dan afvragen of het verstandig is een zo tot misverstanden leidend begrip nog te gebruiken.

Het probleem lijkt me met name het onderscheid tussen de feitelijk dominante cultuur en de cultuur die je normatief richtinggevend acht. Op dit moment lijkt het grote probleem me dat de dominante cultuur nogal tot onverdraagzaamheid ten aanzien van alles wat ze niet begrijpt, neigt. Moet je dan als overheid nog eens extra nadruk op bepaalde waarden gaan leggen? En hoe doe je dat dan? Kun je meer dan preken? Maar is dat een overheidstaak? Verhagen zegt zonder meer brave dingen, dat wel. Dat onze geschiedenis en cultuur er toe doen, maar dat daar ook ‘nieuwsgierigheid naar andere culturen en tradities’ bij hoort. Dat het primaat bij westerse waarden ligt, maar dat ‘een gezonde openheid naar andere culturen, tradities en mensen’ nodig is ‘voor een vitale cultuur’. Zo is het. Maar op de zelfopgeworpen vraag hoe hij aan die waarden in de praktijk vorm wil geven, geeft hij nogal opzichtig geen antwoord.

*

Als het gaat om de beginvragen over de veronderstelde bedreigingen van buiten geeft Verhagen juist wel een helder antwoord. In feite wijst hij toegeven aan isolationisme resoluut af:

Europa, Euro, een open economie, handel, een vrij verkeer van kapitaal en mensen zijn cruciaal! Juist voor ons als christendemocraten, die aan de wieg van de Europese samenwerking stonden. Samenwerking die heeft geleid tot vrede, stabiliteit en economische groei.

Of ook dit:

En de makkelijke lokroep van de PVV naar kiezers om het buitenland af te schilderen als eng, gevaarlijk en profiterend is onjuist, kortzichtig en slecht voor onze economie en samenleving. Nederland wordt sterker door Europa en door in het buitenland samen met onze bondgenoten op te komen voor onze gedeelde waarden.

Helder.

*

Lang niet alles wat Verhagen beweert, heb ik behandeld, maar als we zakelijk zijn betoog bekijken, valt er over het interpretatieve dilemma dat Jaap Jansen pregnant signaleerde, wel iets te zeggen. Het lijkt erop dat Verhagen enerzijds in zijn bewoordingen meebuigt met het populisme en het anderzijds inhoudelijk de wind uit de zeilen wil nemen. Je kunt ook proberen een alternatief te bieden door bepaalde thema’s over te nemen. Maar hij neemt die thema’s in feite alleen terminologisch over. Inhoudelijk wijst hij het verlangen naar isolationisme af, terwijl hij op de meer algemene problemen de oude antwoorden geeft. Het valt te begrijpen dat mensen het verhaal verschillend interpreteren, want er zit van alles in.

5. Brengen principes de oplossing?

Het slot van de rede zal bij menigeen een meewarige glimlach hebben opgeroepen: ‘Juist in een tijd van onbehagen zoeken zwevende kiezers partijen met principes.’ En dat uit de mond van iemand die zozeer bekend staat als machtspoliticus en zich de afgelopen zomer van zijn meest manipulatieve kant toonde. Maar stel eens dat die woorden toch serieus gemeend zijn, wat dan? Dan nog gaat het om een misverstand. Het is een illusie om te denken dat de christendemocratische beginselen momenteel veel mensen aanspreken.

De neergang van het CDA is structureel doorgegaan. De overwinningen van Balkenende waren een incidentele uitzondering. Wat Verhagen hier biedt, is niet veel anders dan het minimalistische verhaal dat Balkenende ook bracht en waarmee die eerst succes had en aan het eind niet. Het is zeker niet het volledige verhaal van de christendemocratie zoals die ooit bedoeld was, maar ik betwijfel of dat wel zou werken. Het komt niet weer goed, niet met het CDA en trouwens ook niet met die andere grote volkspartij van weleer, de PvdA. Beide partijen hebben een verouderde uitstraling, of het nu gaat om tenenkrommende bijbeloverdenkingen op CDA-congressen of om het zingen van de Internationale bij de PvdA. Das war einmal. In 2008 maakte Wouter Bos ook al eens zo’n fout. ‘We moeten populistischer worden en minder academisch’, zei hij toen. Je zou ter zijner ere kunnen zeggen dat Verhagen zich tenminste nog met zoveel woorden tegen het populisme uitspreekt, maar de boodschap die overkomt, is even riskant en onverstandig.

Wat is het echte probleem?

Wees gerust. Ik ga geen compleet alternatief bieden. Verhagen kan dat niet, maar ik ook niet. Maar ik denk wel dat het mogelijk is om het probleem scherper te benoemen.

1

De grote fout die naar mijn idee steeds gemaakt wordt, is dat het vermeende populisme veel te serieus genomen wordt. Ik vind het een reëel probleem, een ernstig probleem ook, maar tegelijk is het ook een beperkt probleem. Het gaat slechts om een deel van het electoraat. Een op de zes Nederlanders stemde op een antirechtsstatelijke partij. Ruim tachtig procent deed dat niet. Het zou zeer onverstandig zijn om te doen of het hier om een algemeen probleem zou gaan. Het populisme verwoordt geen gevoelen dat bij de gehele bevolking leeft. Als het al een gevoelen verwoordt – wat ik betwijfel – gaat het om een beperkt deel van de bevolking. Daarom is het ook zo onverstandig als andere partijen – zie Bos – er zich door laten infecteren. Voor links is het bijvoorbeeld nauwelijks een probleem. De PvdA is teruggelopen, maar de aanhang heeft zich keurig verdeeld over de sociaaldemocratische SP, de progressieven van GroenLinks en PvdD en de links-liberalen van D66. Links is structureel bij de laatste verkiezingen maar heel iets teruggegaan. Uiteraard kan ik begrijpen dat ook linkse partijen graag een deel van het electoraat van de PVV zouden willen werven, maar het lijkt me onverstandig als men daarvoor de eigen principes op zou geven.

De huidige politieke crisis is een crisis van rechts en vooral van de traditioneel leidende partij op rechts, het CDA. Op rechts heeft zich niet de differentiatie voorgedaan die bij links wel succesvol was. De VVD kan niet de hele voormalige christendemocratische aanhang opvangen. Er zou kortom een beter alternatief voor de antirechtsstatelijke PVV moeten komen. Ik kan dan ook begrijpen dat juist Verhagen naar een alternatief zoekt. Maar het lijkt me de vraag of het CDA alleen het verloren terrein kan herwinnen. Misschien zou die partij zich moeten opsplitsen in een meer rechtse variant, waar Verhagen ook in deze rede de woordvoerder van is, en een meer centristische kleine partij die meer het oorspronkelijke gedachtegoed – nadruk op alle kernbegrippen – voortzet.

Hoe het ook zij: iemand die de kiezers op populistische partijen wil aanspreken, moet beseffen dat hij een beperkt electoraat aanspreekt, niet het hele volk. Het populisme is een deelprobleem en het vergt een gerichte benadering. Door de huidige gedoogpositie heeft Wilders de kans gekregen om steeds wat te roeptoeteren zonder dat hij verantwoordelijkheid draagt, dat is het grootste probleem

2

De tweede vergissing is dat het populisme inhoudelijk veel te serieus genomen wordt. Dat is ook de grote fout van het verhaal van Verhagen. Zijn idee is: er is een probleem en het populisme benoemt dat, zij het verkeerd. Als wij nu maar een beter antwoord geven op dezelfde vragen, dan kunnen we het de wind uit de zeilen nemen

Het blijft een hardnekkig misverstand. Het is gewoon feitelijk onjuist. Het populisme is geen antwoord. Het is zelf het probleem. Het schept het probleem zelf. Het is een kwestie van aandacht trekken met flauwekul. Het is niet zo dat er grote onvrede leeft in de maatschappij. Er is geen groot onbehagen en er is geen grote onzekerheid. De PVV is geen volkspartij zoals het CDA dat ooit was en nog een beetje is. Het volk is niet in opstand gekomen – de mythe die al sinds Pim Fortuyn leeft en door Hans Wansink in de titel van zijn boek gethematiseerd werd -, het heeft zich niet uit eigen kracht georganiseerd en het gaat niet de straat op.

Het is omgekeerd. Bij Fortuyn zag je dat destijds ook al. Die ging echt niet het land in om te luisteren naar wat de problemen waren van mensen. Hij bleef gewoon thuis in Rotterdam. Hij was niet in zijn kiezers geïnteresseerd, hij zorgde ervoor dat ze in hem geïnteresseerd waren. Televisieoptredens waren daar veel beter voor geschikt. Met Wilders is het precies zo. Hij roept steeds van alles en als je maar genoeg aandacht krijgt, is het niet zo moeilijk om een aantal mensen, vooral wat minder geïnteresseerden, te laten denken dat daar toch wat in zit, in wat die man zegt. Het is politiek als product in een volatiele markt waarin alles draait om kiezersgunst en aandacht. Natuurlijk kijkt Wilders wel wat goed valt bij zijn aanhang. Maar het gaat niet om verwoording van reële zorgen, maar om wat goed valt, niet bij het hele volk, maar bij een beperkt deel. Het is politiek als marketing. Het gaat om reclame.

UIteraard heerst er her en der enig ongenoegen bij de mensen, maar diep gaat dat niet. Het gaat om een luxeverschijnsel. Met oud fascisme heeft het niets te maken, hoe begrijpelijk het ook is dat mensen soms de vraag naar de overeenkomsten en verschillen stellen. Niet voor niets komt het grote voorbeeld uit Denemarken, een land dat nog egalitairder en moderner is dan Nederland. ‘Getting to Denmark’ luidt een kopje voorin het laatste boek van Francis Fukuyama, The Origins of Political Order: From Prehuman Times to the French Revolution (2011). Denemarken, dat is zo ongeveer de volmaakte politieke orde: een voortreffelijke, democratische rechtsstaat met een tevreden bevolking. In zo’n situatie kunnen mensen zich best een kleine uitspatting veroorloven. Het raakt hen toch niet.

Wilders heeft één groot ongenoegen, de islam. Maar hebben zijn kiezers daar in de praktijk iets mee te maken? Vormt de islam ook maar in enig opzicht een bedreiging voor hun concrete bestaan? Nee, natuurlijk niet. Ze zien hooguit een keer een moskee ergens staan, ze zien hooguit wat mensen die er in hun ogen als moslims uitzien. Maken ze zich daar werkelijk ernstige zorgen over? Kom nou. Maar ze horen en zien er op de tv wel eens wat over en dan krijgen ze het idee dat er met die islam toch wat mis is en dat Wilders tenminste ‘zegt hoe het is’ en dat die anderen er maar om heendraaien. Dat is hun man! Hun kleine onbehagens verzamelen zich om de magneet van zijn grote ongenoegen. Het is van geheel andere aard en ze verwachten ook weinig concrete oplossingen. De grote groep kiezers op de PVV kan domweg niet erg lijken op de rabiate kern die het internet onveilig maakt. Die werken gewoon en kijken ’s avonds naar SBS6. Die zitten echt niet met zijn allen de hele dag op de site van De Telegraaf of Elsevier.

3

De mens is een zingevend wezen. In de woorden van anderen lezen we vaak meer dan er staat. Als zich zoiets merkwaardigs als het populisme voordoet, dan moet dat wel een diepere betekenis hebben, geloven veel intellectuelen. Waarom zouden al die mensen zich zo onredelijk uiten als ze niet verschrikkelijk boos waren? Maar zijn ze wel zo boos?

Stemmen is echt heel gemakkelijk. Je loopt één keer in de zoveel tijd naar een stemlokaal, vult daar een vakje in en aan niemand hoef je verantwoording af te leggen. Stemmen is immers geheim. En je krijgt er een hoop publiek vermaak voor terug. Dat is ook de stemming onder sommige studenten die op Wilders stemden, hoorde ik wel van docenten: lachen, joh!

Het populisme is geen volkse beweging. Het is geen beweging van onderop. Het is een beweging van bovenaf. Het is aandachttrekkerij. Het populisme zelf is ook niet gevaarlijk. Het is irritant dat een aantal kiezers zich onverantwoordelijk gedraagt, maar we kunnen dat wel hebben. Democratie is nu eenmaal een humoristisch systeem: ook als je geen verstand van zaken hebt, mag je meedoen. Het enige probleem is dat het te serieus is genomen, dat populisme bedoel ik. Dat twee partijen die op zich best enig verantwoordelijkheidsbesef hebben, meenden de PVV een platform te moeten bieden.

Maxime Verhagen is zelf verantwoordelijk voor het probleem dat hij nu bestrijden wil. En hij zou best eens kunnen zijn dat hij het ondanks zijn reputatie allemaal goed bedoelt. Zijn rede geeft alleen aan dat hij het verkeerde probleem ziet.

.:.

Posted in Geen categorie

Pijn en gelijkheid – Na het Kamerdebat over ritueel slachten

.:.

Het moet maar.

Ik geloof niet dat ik bij het begin van dit jaar had kunnen bedenken dat een onderwerp als ritueel slachten, waarmee de israëlitische en de islamitische ritus, de sjechieta en de dhabiha, onder één kopje worden samengebracht, me zo zou bezighouden. Het is geen thema dat me persoonlijk aangaat. Maar het raakt me wel, omdat het gaat over hoe we in onze samenleving omgaan met minderheden, met afwijkende praktijken – afwijkend niet in absolute zin, maar relatief: afwijkend van de toevallige meerderheid.

Met argumenten over de slacht en dierenleed heeft het allemaal weinig of niets te maken. Bart Wallet heeft mooi laten zien dat de discussie al oud is en dat er eigenlijk geen nieuwe argumenten meer bijkomen. Het punt is nu de andere afweging. Wat we nu voor onze ogen zien, is het afscheid van de zogenaamde multiculturele samenleving (waarover ik nog maar afzonderlijk iets meer moet zeggen, al heb ik er op Republiek Allochtonië ook al iets over opgemerkt). Rechten van minderheden doen er niet meer zo toe. Iedereen zal onder hetzelfde morele juk van de zelfvoldane meerderheid door moeten, dat is de nu vigerende praktijk.

De uitkomst van het debat van woensdagavond is zeer teleurstellend. Hoewel bij D66 en PvdA partijgremia zich anders uitspraken, houden de fracties hardnekkig vast aan hun standpunt. Ze blijven het contradictoire wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren steunen, dat doet alsof ritueel slachten ook zonder meer met bedwelming kan – quod non.

Het lijkt een blijk van goede wil dat VVD, PvdA, D66 en GroenLinks een amendement hebben ingediend, waarbij een ontheffing mogelijk wordt ‘wanneer wordt aangetoond dat de dieren niet meer lijden dan met de toegestane reguliere slachtmethoden.’ Maar een beetje laf vind ik dit voorstel eigenlijk wel. De Kamer schuift nu de eigen verantwoordelijkheid die ze als wetgever heeft, in feite heeft af naar de belanghebbenden. Wie om een ontheffing vraagt, moet maar met het bewijs komen. Maar als ‘onafhankelijk onderzoek’ kan uitwijzen of een voorgestelde slachtmethode niet ‘meer lijden’ oplevert, dan zou de Kamer zich daar toch ook zelf over kunnen uitspreken?

Kennelijk zijn deze partijen toch niet zo zeker van hun zaak. Het is ook allemaal lang niet helder. De basis voor een verbod is smal en er lopen op dit moment allerlei zaken. Gisteren was er een kort geding in Arnhem omtrent de Wageningse rapporten die zo’n belangrijke rol spelen. Met het amendement schuiven de partijen de verantwoordelijkheid af, ze bezorgen anderen veel werk en er kan ongelooflijk veel gesteggel volgen. Praktisch onverstandig en principieel lafhartig.

Ik weet het, dit is al mijn vierde stukje over het rituele slachten – en dan besef ik dat ik het onderwerp, toen nog nietsvermoedend, ook al eerder zijdelings heb aangeroerd.  Ik zal nu vast en zeker wel iets herhalen uit de drie eerdere stukken – De vrijheid van anderen: over ritueel slachten, godsdienstvrijheid en nog zo wat, Verschil: over Alexis de Toqueville, ritueel slachten (ja, nog eens), gelijkheid en vrijheid, en het laatste, Vrijheid van moraal -, maar tevens wil ik aantekenen dat ik me dus nu ontslagen acht van de plicht om alles aan de orde te stellen, bijvoorbeeld de vraag waarom bepaalde groeperingen zo aan hun eigen gebruiken gehecht zijn en hoe een samenleving daarop hoort te reageren. Er zijn nu twee punten waar ik op in wil gaan: de pijn van de dieren (1) en het idee van de gelijkheid (2) dat voor sommigen zo’n grote rol speelt.

 

Pijn

Eerst het punt van de pijn. Martijn van Dam van de PvdA verwoordde het zo:

Maar hoe diep het geloof ook is, hoe diep de overtuiging ook is dat een dier niet extra lijdt van de rituele slacht zonder verdoving, dat betekent niet dat het ook echt zo is. De techniek heeft niet stilgestaan. Wat ooit de meest diervriendelijke methode was om dieren te slachten, hoeft dat nu niet meer te zijn. We eten dieren en daarom slachten we ze. Dat is geen pretje. Maar met goede techniek zijn we in staat de dieren zo min mogelijk van de slacht te laten ervaren. En we weten uit vele onderzoeken dat grotere dieren die geslacht worden zonder verdoving voor, tijdens en na de slacht lijden. Grote stress als het dier wordt vastgezet en ondersteboven wordt gehangen, pijn als de keel wordt doorgesneden en vervolgens een doodsstrijd die in veel gevallen tientallen seconden duurt en soms zelfs oploopt tot minuten. Niemand kan daar de ogen voor sluiten.

Laten we er eens vanuit gaan dat hij gelijk heeft. Of zou kunnen hebben. Stel eens, dat bij een rituele slachting dieren net iets meer lijden, is dat dan onaanvaardbaar? Ik geloof van niet. Ik heb dat al eerder opgemerkt: de vraag is niet naar het lijden van dieren als zodanig, want in de natuur lijden dieren ook heel veel. De vraag is of mensen dieren om bepaalde redenen pijn mogen toebrengen. En of we andere mensen daarbij de wet moeten voorschrijven. Dat is een heel andere invalshoek.

Slachten is een dier doden. Het hoort bij de condition humaine. Wij mensen doden dieren om ze op te eten. Een van de grootste problemen is dat wij dat slachten heel ver hebben weggestopt. In vrijwel de hele geschiedenis jaagden mensen op wild of hielden ze er vee op na. Persoonlijk dus. Tot niet lang geleden slachtten slagers zelf en zag je in de straat hoe de koe naar de slagerij werd geleid. Nu is alles ver weggestopt in slachterijen en zien we alleen beelden op de tv.

Zelf ben ik op een boerderij opgegroeid. Als kind heb ik nog wel eens gezien hoe een kip geslacht werd – bij anderen, zelf hadden we geen kippen – en ik heb er een keer bijgestaan hoe een noodslachting werd verricht en mijn vader een koe de hals moest doorsnijden. Ik herinner me nog dat ik het mes uit de keuken op moest halen dat daar al vele jaren ongebruikt voor gereed lag. Dat is niet veel, maar het is een uiterste minimum aan ervaring, het minste dat je eigenlijk wel in je jeugd opgedaan zou moeten hebben.

Maar wat ik me bijvoorbeeld nog wel goed herinner, hoe elk jaar een eindje in de zomer de pinkstier werd afgevoerd naar het slachthuis, nadat hij zijn mannelijke diensten bewezen had. En ik herinner me hoe zo’n beest dan vaak tegenstribbelde of plat op de grond ging liggen als hij de vrachtwagen ingevoerd werd. Het was soms een behoorlijk drama. Het kan menselijke inlegkunde zijn, maar je had het idee dat het dier wist dat hem geen goed lot beschoren was en dat hij besefte dat hij zijn dood tegemoet ging. In ieder geval wist jij dat. De tragiek en de melancholie hing over zo’n gebeurtenis. Mensen horen te beseffen wat ze met beesten doen, ook als ze die opeten. Dat is een vorm van menselijkheid die nu uit het gezichtsveld is geraakt. De vervreemding van elementaire menselijke ervaringen, dat is het grote probleem hier.

Mijn vraag bij bedwelming – een merkwaardige omschrijving voor stiekem een pin door de kop schieten – is dan ook moreel. Voor wie is die bedwelming eigenlijk? Voor de dieren, om ze lijden te onthouden? Of voor de slachter, die nu efficiënt kan werken en niet met tegenstribbelende dieren in doodsangst geconfronteerd wordt? Ik ben daar niet zo zeker van. Nee, je moet een dier niet martelen, je laat het niet lijden om het lekker leed toe te brengen. Maar zo’n beest gaat dood. Mag het dan niet een aantal seconden, een aantal minuten lijden? Ik weet het niet goed, maar eigenlijk vind ik dat hele argumenten van dierenleed ongelooflijk onzuiver. Het heeft iets ongelooflijk lafs. Je doodt dus een dier om het op te eten, maar je wilt eigenlijk niet dat het dier daar iets van merkt. Worden hier niet vooral menselijke gevoelens gesust? Is het niet het ongemak dat ons verontrust? Zou je niet net zo goed kunnen zeggen dat het dier een recht heeft op een waardige en dus pijnlijke doodstrijd?

Ik vertrouw het niet en ik ben dan ook niet onder de indruk van al die argumenten over dierenwelzijn. Ik vrees dat het vooral over het slechte geweten van mensen gaat.

 

Gelijkheid

Een heel ander punt dat in de discussie een sterke rol speelt, is het gelijkheidsdenken. Ik geloof dat ik weinig aarzeling hoef te overwinnen om van gelijkheidsfetisjisme te spreken. Regelmatig roepen mensen dat je door een uitzondering toe te staan bepaalde mensen privileges zou verlenen. Je zou ze voortrekken. En dat mag niet, vinden ze, want iedereen hoort gelijk behandeld te worden. Maar waarom eigenlijk?

Ik neem nu even een omweg. Ik las – of in dit geval was het herlezen van wat ik al vluchtig had bekeken – een artikel over de bekende filosofe Patricia Churchland die onlangs het boek Braintrust: What Neuroscience Tells Us About Morality (Princeton University Press) publiceerde. Het is een stuk waarin al snel een hormoon als oxytocine op kunt spelen – pun intended. Het is niet het eerste waar ik aan denk als het om morele of ethische bezinning gaat, maar volgens mij komt het verhaal er gewoon op neer dat ethiek niet ergens in het luchtledige, een platonische bovenwereld bijvoorbeeld, begint, maar een kwestie is van bezinning op een praxis. Moraal is gefundeerd in de natuur. Dat is een oud idee in de ethiek, dat mensen nu eenmaal zus of zo in elkaar zitten en dat je daar rekening mee moet houden en wat Churchland naar mijn idee vooral doet, is om wat we eigenlijk op grond van alledaagse ervaring wel weten – er is iets tussen moeders en baby’s, om maar eens wat te noemen – nader wetenschappelijk uit te diepen. Interessant, zonder meer.

Het aardige en tegelijk beperkte van Churchlands verhaal is in feite dat ze wel kan aantonen dat er een biologische grondslag is voor morele gedragingen, maar dat ze uiteindelijk toch niet een hele ethiek kan funderen. Ik zou zeggen dat ethiek bestaat uit een kritische reflectie op de moraal die we al aantreffen en die zelf al een mengsel is van natuurlijke gegevenheden en de morele en ethische beslissingen van hen die ons voorgingen, en waar de normen voor die kritische, ethische reflectie dan vandaan komen, dat blijft een punt van discussie. Maar wat me aansprak, was Churchlands bevinding dat ‘moraal’ niet een zoektocht is naar ‘overarching principles but rather a process and practice not very different from negotiating our way through day-to-day social life’, althans als ik af mag gaan op de weergave van Christopher Shea. Ik citeer even een langer stukje. Churchland is eerder geneigd om wetenschappelijke auteurs aan te halen dan hedendaagse wijsgeren, vertelt Shea:

But her biocultural view is compatible, she thinks, with Aristotle's argument that morality is not about rule-making but instead about the cultivation of moral sentiment through experience, training, and the following of role models. The biological story also confirms, she thinks, David Hume's assertion that reason and the emotions cannot be disentangled. This view stands in sharp contrast to those philosophers who argue that instinctual reactions must be scrutinized by reason. The villains of her books are philosophical system-builders—whether that means Jeremy Bentham, with his ideas about maximizing aggregate utility ("the greatest good for the greatest number"), or Immanuel Kant, with his categorical imperatives (never lie!), or John Rawls, erector of A Theory of Justice.

Volgens Shea is Churchland van mening dat ‘the search for what she invariably calls "exceptionless rules" has deformed modern moral philosophy.’ Daar heeft ze volgens mij volkomen gelijk in en dat is waar ik het hier over wil hebben, want het zijn juist de universalistische trekken die momenteel in de Nederlandse publieke discussie zo’n opvallende rol spelen. Als ik op Twitter kijk, valt me de overmaat aan apriorisme vaak op: vanuit zeer algemene principes denkt men iets te kunnen bepalen, waarbij trouwens vaak allerminst zeker is of dingen wel zo gaan werken als verwacht. Of Isaiah Berlin gelijk heeft met zijn stelling dat politieke filosofie niets anders is dan ‘ethics applied to society’ – onder meer in The Crooked Timber of Humanity. Chapters in the History of Ideas (1991), maar volgens mij zei hij het vaker -, weet ik niet helemaal goed, maar de structuur van rederingen en argumentaties is in ieder geval wel gelijk en daarom kunnen we ons Churchland’s waarschuwende opmerkingen goed aantrekken als het om wetgeving en politiek gaat.

In de discussie over ritueel slachten speelt een populaire vorm van utilisme – voorkom lijden – een grote rol en die wordt dan komisch genoeg met een kantiaanse rücksichtlosigkeit toegepast. Maar het lijkt me nou net dat die twee ethische systemen veel te ver van de dagelijkse praktijk afstaan, en dat een verwijzing naar prudentie en gevoel, naar Aristoteles en Hume, veel adequater is om te begrijpen waar het in ethiek over gaat. Waar komt dan toch die zo benadrukte gelijkheidsregel vandaan?

Vaak wijst men op het eerste artikel van de Nederlandse Grondwet, maar ik geloof niet dat dat zo bedoeld is. Kijk, maar eens in allerlei wetten. Die zijn vaak ongelooflijk gedetailleerd. Met een verwijzing naar de gelijkheidsregel kom je bij het opstellen echt nergens. Als dat zo was, kon je waarschijnlijk volstaan met een boekje van honderd bladzijden voor de volledige wetgeving. Je stelt wat algemene regels op en je bent er, de rest wijst zich vanzelf. Toen de nu vigerende herziening formulering van de Grondwet werd opgesteld, bestond de wetgeving over slachten ook al, met al heel lang de ‘uitzondering’ voor de israëlitische ritus, waar dan in de jaren zeventig de islamitische bijkwam. Nooit heeft men daarin strijd gezien met dat grondwetsartikel. In de Grondwet komt het instituut van het koningschap voor. Ook dat is niet verenigbaar met een heel erg brede interpretatie van de gelijkheidsregel. Maar zo is die constitutionele regel nooit bedoeld. Het is geen regel voor het opstellen van wetten. De gedachte is dat als wetgeving er eenmaal is, die gelijkelijk moet worden toegepast, althans in gelijke gevallen.

Er is geen enkele reden om in de wetgeving geen rekening te houden met de specifieke wensen van bepaalde groepen. Concrete problemen vergen concrete oplossingen. Dat is waar Churchland terecht op wijst. Zo werkt moraal en zo werkt ook politieke moraal. Van privileges is bovendien op geen enkele wijze sprake. Er zijn gewoon drie vormen van slachten toegestaan: algemeen bedwelmd (al dan niet in massaproductie), de israëlitische ritus en de islamitische ritus. Iedereen kan alle drie soorten vlees kopen. Iedereen kan bij de islamitische slager bij mij in de straat terecht om vlees te kopen met het predicaat halal. Iedereen is in dat opzicht volkomen gelijk.

Ook vanuit een andere invalshoek is er geen ongelijkheid. Mensen willen vlees eten. Welnu, sommige mensen kunnen, als ze hun levenswijze volgen, alleen vlees eten dat kosjer of halal is. Een andere optie is er voor hen niet. Niet alle mensen zijn gelijk. De zogenaamde ‘uitzonderingen’ zorgen er alleen maar voor dat iedereen het vlees kan kopen dat naar zijn wens is. Maar mensen die uitsluitend kosjer of halal verkiezen, hebben geen optie extra, geen privilege dat ik niet heb. Ik kan kiezen: ik kan besluiten om vlees te kopen dat kosjer of halal of dat dat niet is. Maar sommige mensen kunnen maar één soort kiezen. Zij hebben dus zelfs minder opties dan ik heb. De zogenaamde uitzondering heft alleen maar praktisch optredende ongelijkheid op.

Een laatste grappig misverstand vond ik in een stukje van Thijs Kleinpaste. Hij meent dat de huidige wetgeving discrimineert:

Daarin staat letterlijk dat het verbod niet geld voor de 'islamitische of israëlitische ritus'. De ongelijkheid tussen gelovigen en niet-gelovigen zwart op wit in de Nederlandse wet.

Ja, het staat er echt. Ik neem aan dat het niet om kwaadwillendheid, maar om onnadenkendheid gaat. Even niet goed uit zijn doppen gekeken. Het is natuurlijk feitelijk niet waar. Het gaat om de israëlitische en de islamitische ritus en bij mijn weten hoeft in ieder geval in het laatste geval de slachter geen gelovige moslim te zijn, maar daarin kan me vergissen; het gaat erom dat hij de juiste woorden uitspreekt. Maar er is natuurlijk geen scheiding want iedereen kan hetzelfde kopen en die zogenaamde scheiding ligt al helemaal niet tussen gelovigen en ongelovigen. Christenen, hindoes en boeddhisten hebben geen directe behoefte aan vlees dat volgens islamitische of israëlitische ritus geslacht is. En nogmaals, niemand wordt voorgetrokken; er wordt alleen tegemoet gekomen aan wat voor bepaalde mensen anders een probleem zou zijn. Dat is het soort praktische probleemoplossing waarin – zie Churchland – de kern ligt van verstandige ethiek en politieke filosofie. Als groepen op geheel andere gronden problemen hebben, probeer je daar als wetgever ook rekening mee te houden, als dat een beetje gaat.

Er is geen sprake van privileges. Het is omgekeerd. De staat is zich op een gegeven moment gaan bemoeien met zaken die vroeger vrij waren. Daarbij kwamen bepaalde mensen in het gedrang en met hen is rekening gehouden. Dat is praktische politieke wijsheid. En er is geen enkele reden om vanuit een fetisjistische hang naar gelijkheid, die trouwens praktisch helemaal geen gelijkheid is, maar juist ongelijkheid en onvrijheid betekent, daar nu mee op te houden. Waarom verbieden als je iets praktisch op kunt lossen?

*

Het is nu vooral de vraag wat de Eerste Kamer gaat doen. Het wetsvoorstel van de Partij van de Dieren is in strijd met een belangrijk grondrecht en met de vrijheid die de Grondwet juist wil garanderen. Gunnende vrijheid staat tegenover inperkende gelijkheidswaan. Het lijkt me waarschijnlijk dat de chambre de réflexion inderdaad wat breder kijkt en het voorstel afwijst. Men zal niet zo gauw tegen de Raad van State ingaan, vermoed ik. Ik hoop het in ieder geval.

De grote vraag blijft ondertussen hoe het verder gaat met de vrijheid van minderheden. Zullen ze verder ingeperkt worden? Grijpt het o zo simpele verbodsinstinct, dat zo verbreid is, dat je haast zou denken dat ook dat diep in de biologische constitutie van mensen geworteld is, verder om zich heen? Of komt er een moment van bezinning? Ik weet het, over grenzen valt altijd te praten. Je kunt nooit absoluut aangeven waar ze liggen. Maar het zou een goed idee zijn als de Staten-Generaal tot de slotsom zouden komen dat het inperken van bestaande vrijheden alleen op uiterst dringende gronden dient te gebeuren. Een moratorium inzake verbieden zou wenselijk zijn.

Maar of die praktische wijsheid in Den Haag nog te vinden is?

 .:.

Posted in Geen categorie

Eeuw van de deugd – Een notitie over de Verlichting

.:.

De Verlichting is een recent verschijnsel, dat weten we allemaal. Uiteraard heeft er zich een cultuurstroming in de Europese geschiedenis voorgedaan, die zo wordt aangeduid, ongeveer in of rond de achttiende eeuw, maar verder is er niet zo bar veel helder. Het begin, het eind, de omvang, wie er bij hoorde en wie niet, de opvattingen lopen nogal uiteen.

Maarten Doorman heeft op goede of op zijn minst plausibele gronden betoogd dat onze hedendaagse cultuur vooral teruggaat op de Romantiek, de cultuurstroming die op de Verlichting volgde of er misschien deels mee samenviel – het is maar hoe je het bekijkt. Maar op de een of andere manier hoor je mensen zich zelden op de Romantiek beroepen.

Dat ligt ook een beetje voor de hand. De Verlichting wordt in de populaire beeldvorming gelijkgesteld aan de rede. De Romantiek, die staat – in diezelfde beeldvorming – juist voor irrationaliteit. Wie romantisch zijn hartstochten laat gaan, heeft op dat moment geen behoefte aan rechtvaardiging. Wie meent een redelijk standpunt te verdedigen, heeft dat wel.

Het paradoxale is daarbij wel dat juist een beroep op de rede dan toch weer historisch gerechtvaardigd wordt, met een beroep op een veronderstelde traditie. Zelf denken is kennelijk toch niet genoeg. Kant had toch ook al gezegd dat je zelf moest nadenken? Aandoenlijk altijd, zo’n rechtvaardiging tegen afgaan op gezag op grond van een autoriteitsargument.

Ach, met de achttiende-eeuwse Verlichting, in welke gedaante dan ook, heeft het allemaal weinig te maken. Als mensen zich beroepen op de Verlichting bedoelen ze vooral waarden die pas vrij recent ingang hebben gevonden. Maar kennelijk bestaat het ongemakkelijke gevoel dat een dergelijke beroep ietwat volatiel is. Mensen geven aan hun eigen opvattingen graag enige historische diepte mee.

Het punt is natuurlijk dat we voor onze eigen cultuur nog geen algemene typering hebben. Ook in de achttiende eeuw kwam het begrip Aufklärung pas vrij laat op. De beroemde antwoorden van Mendelssohn en Kant op de wat spottende vraag van Zöllner zijn van 1784, toen het volgens de hedendaagse historische overzichten zo ongeveer voorbij was. De afgelopen kwarteeuw is er vaak getrompetterd dat we in de tijd van het postmodernisme leefden, maar ik vrees dat historici achteraf zullen vaststellen dat dat een ernstig geval van zelfbedrog was. Hoe het ook zij, postmodernisme staat wel ongeveer voor het tegendeel van wat mensen die zich op de Verlichting beroepen, bedoelen. Maar hoe historici over een eeuw ons tijdperk zullen benoemen, dat weten we nog niet.

Als het over de achttiende eeuw gaat, lijkt de typering Eeuw van de Deugd me veel passender dan Eeuw van de Rede. Op de rede hebben mensen altijd een beroep gedaan en dat geldt zeker voor de Europese geschiedenis. De middeleeuwse scholastiek barstte van de rationaliteit en niet voor niets sluit de analytische filosofie er in veel opzichten bij aan. Als je achttiende-eeuwse teksten leest, is het vertrouwen in deugdzaamheid en de vervolmaking van de mens veel typerender. De wereld was een ontwerp. Het wereldbeeld was diametraal tegengesteld aan het hedendaagse, waarin contingentie het centrale element is.

Maar het heeft ook wel iets ironisch, dat zoveel mensen zich juist beroepen op een stroming die ongeveer tegengesteld was aan hun eigen opvatting van de wereld.

Misschien moeten we ze maar in hun waan laten.

.:.

Posted in Geen categorie

Een tevreden land

.:.

In 1999, in het voorlaatste jaar van de eeuw, stelde Gertjan van Schoonhoven een verzameling met stukken samen die tussen januari 1992 en juli 1999 in het weekblad Elsevier waren verschenen: De nieuwe kaaskop – Nederland en de Nederlanders in de jaren negentig. Bij elkaar geven ze een indruk van de toen heersende tijdgeest. Zo begint Van Schoonhoven zijn Woord vooraf:

Het is om bang van te worden, zo goed gemutst begint Nederland aan de volgende duizend jaar. Afgaande op de jongste peilingen, is er in het land een stemming van tevredenheid over het heden en optimisme over de toekomst. De jaren negentig zijn in Nederland voor velen een tijd geweest van voorspoed en aangename veranderingen.

De beschrijving van het geluk gaat nog even door. Het was uitgerekend een columnist van datzelfde Elsevier, Pim Fortuyn, die daarna al snel begon te klieren. En het geklier ging daarna door. We hebben nu zelfs een kabinet dat van een partij die het van klieren moet hebben, afhankelijk is.

Maar het citaat lijkt me nuttig. Er is geen werkelijk ongenoegen. Er is in ieder geval geen reden toe. Het gaat om het geklier van burgers die het goed hebben en uit verveling niets beter weten te verzinnen.

Dat is alles.

.:.

Posted in Geen categorie

Vrijheid van moraal

 .:. 

Wat is het kenmerk van een moderne liberale staat? De scheiding tussen wet en moraal, tussen staat en maatschappij, tussen het publieke en het private, zou ik zeggen.

 -

Vanmiddag kwamen Naima Ajouaau en Robbert Baruch uitgebreid aan het woord in Dit is de Dag over de strijd binnen de PvdA over het al dan niet instemmen met een verbod op onverdoofd ritueel slachten. Twee aspecten komen dan aan de orde. Ten eerste het zakelijke, wetenschappelijke aspect: is het werkelijk dieronvriendelijker? Lijden dieren dan meer? Ten tweede het principiële aspect, de vrijheid van godsdienst, dat iets wat tot nu op grond van een grondrecht erkend werd, nu verboden dreigt te gaan worden.

Dat eerste zakelijke aspect is natuurlijk niet geheel zonder belang. Het is begrijpelijk dat het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap TNO gevraagd heeft eens kritisch naar enkele bestaande rapporten te kijken: hoe deugdelijk zijn die? Als Kamerleden vanuit dit soort kaders denken, is het begrijpelijk dat je ze juist op dit punt aanspreekt. En dan blijkt dat TNO enkele kritische noten kraakt. Niet onbelangrijk, maar toch niet het hoofdpunt, denk ik. Want de morele vraag blijft staan. Dieren die geslacht worden, die gaan dood. Is het dan zo gek dat ze lijden? Hoort dat dan niet bij hun ellendig lot?

Het tweede principiële aspect is belangrijker: dat van rechten die tot dusverre als onaantastbaar golden en nu voor velen niet meer. Aan het eind van de uitzending werden enkele reacties van luisteraars voorgelezen. En de vaste clichés komen dan voorbij: mensen die vasthouden aan traditionele praktijken, zouden achterlijk zijn of op zijn minst achterlopen. Middeleeuws zou het zijn. Ik verbaas me daar altijd over, want als we het over wrede praktijken – dat bedoelen mensen dan – hebben, dan heeft de vroegmoderne tijd toch heel wat meer te bieden, om over de beruchte afgelopen eeuw nog maar discreet te zwijgen. Als er nou één tijdvak in de geschiedenis van in ieder geval West-Europa is geweest, waarin enige reële voortgang werd geboekt, dan waren het toch wel de middeleeuwen. Vraag je eens af hoe Utrecht er in 1000 uitzag en wat je in 1500 te zien kreeg. Daar was wel iets opgebouwd, zou ik zo zeggen. Letterlijk.

Over vasthouden aan een boek van tweeduizend jaar oud gaat het ook altijd. Daar kunnen mensen – niet alle natuurlijk – helemaal niet bij. Afgezien van het feit, dat dat boek, de Bijbel, toch op zijn minst in een proces van zo’n duizend jaar tot stand gekomen is, ligt het natuurlijk wel wat ingewikkelder. De halacha zit wel iets ingenieuzer in elkaar, het gaat niet alleen om de schriftelijke tora, maar ook over de mondelinge, die trouwens ook weer opgeschreven is. En zoiets geldt ook voor de islamitische wetsuitleg, die uit de aard der zaak overigens iets nieuwer is. Maar het punt is natuurlijk niet dat die geschriften zou oud zijn, maar dat die onderdeel van een traditie zijn. Mensen hebben niet ergens een oude tekst opgedolven waar ze dan gek genoeg ook nog gezag aan gaan toekennen, nee, ze hebben die al die jaren met zich meegedragen en overgeleverd. En tot een eeuw of vijf geleden betekende dat dat je die met de hand steeds weer overschreef. Het gaat om tradities die leefden en die nog leven.

Het moderne vooruitgangsgeloof dat in de naïeve commentaren tot uiting komt, is nogal aandoenlijk. Lang was ouderdom juist een doorslaggevend argument. Hugo de Groot wrong zich in allerlei bochten om aan te tonen dat de Hollanders van de oude Bataven afstamden. En de omwenteling die in Nederland de moderniteit, onze moderniteit, inluidde, heette toch maar mooi de Bataafse Revolutie. Over mythen gesproken. Maar zoals ooit oudheid een doorslaggevend argument was, is nu moderniteit dat. Iets moet van deze tijd zijn. Het heden bepaalt de norm. Maar waar komen die normen dan vandaan? Tja, van de vooronderstellingen die we nu met zijn allen delen. Zijn die gegrond? Of zijn ze gewoon vanzelfsprekend?

Het punt waar veel begrip nu op stukloopt en daardoor in onbegrip verkeert, is dat het om de vrijheid van godsdienst zou gaan. Religie is tegenwoordig in een land als Nederland iets waar je aan kunt doen, maar waar je ook niet aan kunt doen. Dat is de makke. Toen de rechten van de mens voor het eerst geformuleerd werden, kon zich niemand dat voorstellen. De Verlichting hechtte grote waarde aan de morele kracht van religie. Maar nu beleven veel mensen religie als iets vreemds: zij hebben zich daarvan bevrijd en alleen wat achterlijke lieden doen daar nog wat aan. Ook dan zijn er uiteraard twee houdingen mogelijk. Je hebt een vorm van liberaliteit die mensen graag hun eigenaardigheden gunt. Tolerantie heeft uit der zaak nu eenmaal ook iets neerbuigends in zich. Maar je hebt ook een vorm van bevrijdingsliberalisme dat daar geen boodschap aan heeft. Dat vindt dat mensen zich maar een beetje aan moderne opvattingen aan moeten passen.

-

Tegen die achtergrond valt er wat voor te zeggen om godsdienstvrijheid vooral te bezien als vrijheid van moraliteit. Naar mijn idee is moraal de hedendaagse vorm van religie. Of anders gezegd: het is dat element van religie dat zich in een nieuwe gedaante voortzet. Wereldbeelden, riten, die kunnen verdwijnen of bijna onherkenbaar door andere vervangen worden. Maar moraal hebben mensen altijd. Zonder ethische opvattingen is geen samenleving mogelijk.

En daar komt het springende punt van de moderniteit om de hoek kijken: dat is de scheiding tussen wet en ethiek, tussen staat en samenleving, tussen het publieke en het private. Die scheiding, zeg ik er direct maar bij, is nooit absoluut. Ook de wet veronderstelt morele opvattingen. Naast het traditionele huwelijk is nu ook het zogenaamde homohuwelijk mogelijk, maar ik zie de wetgever nog niet zo snel overgaan tot het mogelijk maken van het polygame huwelijk (wel soms tot de erkenning van een elders wel rechtsgeldig huwelijk van dien aard, maar dat is meer een praktische erkenning tegen heug en meug van bestaande verschillen op de wereld). Maar de staat legt zich ook beperkingen op: met hoe je privé, achter je voordeur, leeft, bemoeit ze zich in principe niet, althans niet al te hoge mate.

Ik stel voor om wat godsdienstvrijheid heet en het internationaal ook nog heel lang zal blijven, in een context als de Nederlandse vooral te benaderen in termen van vrijheid van moraal. Hoeveel vrijheid gunt de staat mensen om er hun eigen moraal op na te houden? Dat geldt dan ook voor een moraal die zichzelf – en dan laat ik graag in het midden hoe terecht dat is – als niet-religieus of seculier beschouwt. Het probleem is alleen dat als een specifieke, zogenaamd seculiere moraal afwijkt van de gangbare, die momenteel minder papieren heeft om zich op te beroepen.

Dat heeft de algemene moraal die de meesten van ons delen, vaak onnadenkend, in feite ook. Wij weten niet waar onze moraal vandaan komt. Bepaalde principes zijn in feite onbespreekbaar. We zijn bijvoorbeeld allemaal democraten. We zijn allemaal voor het gelijkheidsideaal. Iets anders kun je eigenlijk niet eens vinden. De meerderheid in een democratie legt ‘een geweldige cirkel om het denken’, schreef Alexis de Tocqueville al. Maar binnen die gedeelde onaantastbare vooronderstellingen, waar menselijke waardigheid, authenticiteit en zelfbeschikking toe behoren, discussiëren we ons suf. Zo komt onze gedeelde moraal ook tot stand: zonder al te veel grond, maar wel met stevige onderlinge argumentatie binnen dat kader. Moraal is er al. Die was er al toen we geboren werden. We discussiëren niet over de grondslagen, maar over geleidelijke aanpassingen en vooral, denken we, verbeteringen. Nog steeds heeft ‘progressief’ een betere klank dan ‘conservatief’, al is de term aan slijtage onderhevig.

De grens tussen wet en moraal, tussen overheid en samenleving is niet waterdicht. Die grens staat steeds weer ter discussie en daar gaat het hedendaagse debat ook over. Het maatschappelijke debat valt in hoge mate samen met het politieke debat. In plaats van onderling het gesprek aan te gaan – waarom moet jij nu zo eigenwijs zijn om er heel anders over te denken en er vooral heel andere morele praktijken op na te houden dan wij? – gaan we direct over tot de politiek. Schandelijk? Verbieden! Ook dat is trouwens niet zo bar veel anders dan een eeuw geleden. Onlangs heb ik nog eens wat zitten te lezen in de Handelingen van 1911 toen de Tweede Kamer acht dagen lang debatteerde over de toen aangenomen zedelijkheidswetgeving, die in de tweede helft van de eeuw weer effectief ontmanteld is. Wat me het meest opviel, was het gedeelde morele kader. Over de uitgangspunten, wat als onzedelijk uit de publieke ruimte geweerd moest worden, was men het in hoge mate eens, de vraag ging meer over de effectiviteit van de voorstellen. Hielp een bordeelverbod of het werkte het averechts? Dat soort dingen.

De grens tussen het publieke en het private staat steeds weer ter discussie. Het is nooit de bedoeling geweest dat het private zich tot strikt achter de voordeur zou beperken. De drie tweedelingen die ik aan het begin introduceerde, vallen zo niet allemaal samen. Het publieke is niet identiek aan de wet of de staat. Moreel gedrag uit zich altijd in de publieke ruimte. Het was ook nooit de bedoeling in de liberale traditie dat het private strikt individueel zou zijn. Tocqueville was overtuigd van de voordelen van de moderne gelijkheid en liberaliteit, maar individualisme zag hij als een uitwas. Juist in de maatschappij verbinden mensen zich en zetten ze samen tradities voort. De vraag is alleen hoe die publieke ruimte afgebakend wordt en waar de wetgever zich wel of niet mee bemoeit.

-

Dit is een boeiende tijd. Mensen staan nu enigszins traditieloos in de tijd en ze beschouwen dat als een verworvenheid, een bevrijding. Maar hoe gaat dit verder? Als wij nu zo verheven morele opvattingen hebben, kristalliseren die zich dan weer uit in een nieuwe traditie die zich op een gegeven moment toch weer op haar oude papieren gaat beroepen? Je kunt immers niet eindeloos blijven vernieuwen. Althans niet voortdurend. Als het bijvoorbeeld om pedofilie gaat, hebben we al gezien hoe de experimenteerlust van enkele decennia geleden zich inmiddels uitgekristalliseerd heeft in nieuwe, zeer strikte grenzen, die niet voor niets ontstaan zijn, maar op ervaring en inzicht gebaseerd zijn. Moraal is ook altijd een kritische reflectie op ervaringen.

Het is duidelijk waar ik sta. Ik ben voor de pluriformiteit, voor de erkenning van verschillen tussen mensen. En ja, ik weet heel goed dat ook daarbij grenzen gelden. Niet alles wat zich als traditie aandient, vooral niet als die van buiten komt, erkennen we. Wat mensen schaadt of althans ernstig schaadt, dat erkennen we niet.

En de vraag is natuurlijk waarom je diversiteit zou erkennen. Waarom is de eigenheid van mensen een waarde? Ook dat is een morele vraag die te maken heeft met gedeelde hedendaagse morele opvattingen, met de erkenning van het recht van mensen op hun eigen uitingen van authenticiteit onder meer. De posities die nu tegenover elkaar staan, beroepen zich in feite op dezelfde gedeelde waarden. Maar als je doorvraagt, kun je ook daar weer ondermijnende vragen bij stellen, zoals je dat bij alle ethische opvattingen kunt. (Beginnende sceptici willen nog wel eens de vraag opwerpen waarom je, als je daar toevallig zin in hebt, andere mensen niet mag doden. Ik zat ooit op een zogenaamde filosofische kring naast een meneer die dat vol aplomb beweerde. Ik heb hem toen maar verteld dat ik hem niet geloofde, want dat ik anders niet zo rustig op mijn stoel bleef zitten. Ernstig scepticisme is zo kinderlijk.)

Tolerantie staat op gespannen voet met de gelijkheid van een democratische samenleving, ook al hebben beide gezamenlijk hun opwachting gemaakt. Tolerantie, ik merkte het al op, heeft ook iets neerbuigends. Dat kan eigenlijk niet anders, tenzij het onverschilligheid is, wat sociaal overigens niet altijd een ondeugd hoeft te zijn. Een sterke staat kan het zich veroorloven om verdraagzaam te zijn. Ze staat immers soeverein boven haar onderdanen en kan daarom best het een en ander hebben. Frederik de Grote vond het niet zo moeilijk om te stellen dat iedereen maar naar ‘nach seiner Façon selig’ moest zien te worden. Als verlicht despoot kon hij zich zo’n houding permitteren. Maar een democratische staat is van ons allemaal. Naarmate de fictie van de maatschappelijke verbintenis die we stilzwijgend met zijn allen zouden zijn aangegaan, gangbaarder wordt, wordt het moeilijker om de overheid te zien als iets dat ver boven ons staat. De overheid belichaamt onze moraal. En als wij weten wat goed is voor onszelf, waarom zouden we daar dan onze medemens niet op aanspreken? Waarom zouden we hem een uitzondering toestaan op wat dwingend goed is?

-

Ik had dit stukje even laten staan. Ik twijfelde of ik het wel plaatsen moest, omdat ik vond dat ik in feite te veel herhaalde wat ik al eerder – hier en hier met name – schreef. Maar toen zag ik op twitter via via een treffend voorbeeld van hedendaagse argumentatie langs komen. ‘Mijn uitgangspunt is dat ik maar n paar procent van DNA verschil van het “vee”’, schrijft iemand serieus. Ik herken dat soort denken, want ik heb heel wat filosofische cafés over dierenrechten meegemaakt. Er zijn mensen die dat echt voor een ‘rationele’ manier van denken houden. Op dezelfde wijze vragen filosofen zich soms ook af of robotten op den duur niet mensenrechten zouden moeten krijgen. Ik zou zeggen: wacht maar af tot ze die bij een demonstratie op de Dam op komen eisen. Het is een volstrekt wereldvreemde, theoretische wijze van denken, die de alledaagse menselijke ervaring miskent en naar mijn idee de grondslagen van de moraal aantast. Maar als iemand er voor zichzelf een dergelijke abstracte moraal op na wil houden, laat hem zijn gang gaan. Maar waarom zou je een dergelijke vreemde wijze van redeneren normatief voor anderen achten? Waarom zouden die niet op hun eigen wijze tegen het onderscheid tussen mens en dier mogen aankijken? Dat is de vraag waar het om gaat, maar die men vaak niet eens onderkent.

En volgens mij is de vraag dan toch of je erkent dat anderen recht op hun eigen moraal hebben. Maar nu ik de titel hier zo boven zie staan, moet ik toegeven dat vrijheid van moraal een beetje vreemd en dubbelzinnig klinkt.

.:. 

Posted in Geen categorie